ECLI:NL:RVS:2019:361
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring voor woning vanwege onvoldoende levensontwrichtende situatie
Appellante vroeg om een urgentieverklaring voor een grotere woning omdat haar huidige containerwoning te klein is voor haar en haar zoon, en zij vanwege psychische problemen en ADD van haar zoon niet kan starten met PTSS-behandeling. Het college wees de aanvraag af op basis van een GGD-advies dat geen medische noodzaak voor spoedige verhuizing zag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel. De GGD-arts had een zorgvuldig en objectief advies uitgebracht, waarbij alle relevante omstandigheden, waaronder de langdurige psychiatrische problematiek en de woonsituatie, waren meegewogen. Een huisbezoek zou geen ander advies hebben opgeleverd.
Appellante stelde dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen en dat haar rechten op gezinsleven en het belang van haar zoon onvoldoende waren meegewogen. De Afdeling oordeelt dat het college het algemeen belang van rechtvaardige woonruimteverdeling terecht zwaarder heeft gewogen en dat het belang van het kind voldoende is betrokken.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens het ontbreken van een levensontwrichtende situatie.