ECLI:NL:RBDHA:2019:999
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting maatregel van bewaring en toekenning schadevergoeding
De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Niet in geschil is dat de maatregel op een onjuiste wettelijke grondslag is voortgezet. Het centrale punt is de datum waarop de bewaring onrechtmatig werd.
Verweerder ontving op 3 januari 2019 om 15:45 uur een afwijzing van zijn claimverzoek aan de Belgische autoriteiten. Vanaf dat moment was hij gehouden om voldoende voortvarend te handelen en de bewaring om te zetten naar een juiste wettelijke grondslag. De rechtbank volgt de maatstaf uit eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en oordeelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door niet uiterlijk op 5 januari 2019 de bewaring om te zetten.
De bewaring is derhalve vanaf 5 januari 2019 onrechtmatig. Eiser vordert schadevergoeding voor drie dagen onrechtmatige bewaring, waarvan twee dagen reeds door verweerder waren gecompenseerd maar door eiser werden afgewezen. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €240,- voor drie dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten van €1.024,-. Het beroep wordt gegrond verklaard en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De bewaring was vanaf 5 januari 2019 onrechtmatig en eiser krijgt een schadevergoeding van €240,- toegekend.