ECLI:NL:RBDHA:2020:10078

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2020
Publicatiedatum
8 oktober 2020
Zaaknummer
NL20.10527
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Zwitserland als verantwoordelijke lidstaat

Eiser, een Oekraïense burger, diende een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Nederland heeft een verzoek tot terugname aan Zwitserland gedaan, dat dit heeft aanvaard.

Eiser stelde dat hij niet tijdig overleg kon voeren met zijn gemachtigde door de coronamaatregelen en dat hij problemen en onvoldoende medische zorg in Zwitserland zou ondervinden. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet met zijn gemachtigde kon overleggen of dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De enkele wantrouwen jegens Zwitserse autoriteiten en onzekerheid over corona-ontwikkelingen zijn onvoldoende om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken.

De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de overdracht aan Zwitserland onevenredig hard maken. Ook is niet gebleken dat eiser specialistische medische zorg nodig heeft die Zwitserland niet kan bieden. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.10527

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.10528, plaatsgevonden op 18 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Faes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is een burger van Oekraïne en is op [geboortedatum] geboren.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] . Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard onder verwijzing naar artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
3. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in het geschil is dat de autoriteiten van Zwitserland in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
5. Eiser voert allereerst aan dat verweerder na 21 april 2020 ten onrechte geen uitstel heeft gegeven van de termijn om een zienswijze in te dienen. Door het coronavirus is de gemachtigde van eiser niet in de gelegenheid geweest om eiser tijdig te spreken. Daarbij merkt hij op dat het juist met asielzoekers niet vanzelfsprekend is om gebruik te maken van bijvoorbeeld een video-afspraak. De rechtbank volgt eiser niet op dit punt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in het geheel niet in de gelegenheid is geweest om overleg te hebben met zijn gemachtigde over een te geven zienswijze. Niet is gebleken dat de gemachtigde van eiser pogingen hiertoe heeft ondernomen.
6. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij problemen heeft in Zwitserland, is dat door hem niet geconcretiseerd en onderbouwd. De enkele omstandigheid dat eiser de Zwitserse autoriteiten wantrouwt, is onvoldoende om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Zwitserland heeft door middel van het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld in overeenstemming met geldende Europese richtlijnen. Bij problemen met anderen in Zwitserland kan eiser de bescherming van de Zwitserse autoriteiten inroepen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze hem niet willen of kunnen beschermen.
7. Verder voert eiser aan dat hij lichamelijke klachten heeft en dat de kans klein is dat hij de juiste hulpverlening en goede opvang zal krijgen in Zwitserland.
Echter niet is gebleken dat eiser op dit moment specialistische medische zorg nodig
heeft. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege bijzondere lichamelijke of psychische klachten niet kan worden overgedragen aan Zwitserland. Verweerder was niet gehouden om dit verder te onderzoeken. Als uitgangspunt geldt dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in dit geval niet opgaat. Objectief, persoonlijk bewijs voor de stelling dat eiser in Zwitserland medische zorg of opvang zal worden ontzegd, of daar structureel geen toegang toe zal hebben, ontbreekt.
8. Eiser heeft ten slotte gewezen op de onzekerheid over de ontwikkeling van Corona in Zwitserland. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten in Zwitserland op dit moment zodanig onder druk staat dat hij niet aan Zwitserland kan worden overgedragen. Op mogelijke toekomstige ontwikkelingen in dit verband kan niet vooruit worden gelopen. Dit is dan ook geen reden om de zaak aan te houden, zoals eiser voorstelt. Dat eiser op dit moment vanwege de beperkingen ten gevolge van de maatregelen rondom de bestrijding van het coronavirus niet kan worden overgedragen, is slechts een tijdelijke, feitelijke belemmering die niet afdoet aan de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. [3] De overdrachtstermijn is nog niet verstreken.
9. In hetgeen is aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om tot inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser over te gaan. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook is er geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Zwitserland van een onevenredige hardheid getuigt.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Zohrabian, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Zie: uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032.