Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 13 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Ook is bepaald dat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krijgt en wordt haar geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 verleend. Eiseres wordt een vertrektermijn onthouden en zij moet Nederland onmiddellijk verlaten. Tot slot wordt aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Het inreisverbod geldt niet voor de minderjarige dochter van eiseres.
Verder overweegt verweerder dat eiseres heeft verklaard dat zij haar problemen niet kenbaar heeft gemaakt bij de autoriteiten omdat het zou gaan om familieproblemen waarmee zij haar niet kunnen helpen en waarmee de autoriteiten niets zullen doen. Gelet hierop is niet op voorhand gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten eiseres in haar geval niet zouden willen of kunnen beschermen of helpen. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij zich bij problemen niet kan wenden tot de autoriteiten voor bescherming. Volgens verweerder bestaat geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000. Om die reden heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.312,50.