ECLI:NL:RBDHA:2020:10521
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering asielverblijfsvergunning wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder stelde dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening en nam de aanvraag niet in behandeling. Eiser betoogde dat het evenredigheidsbeginsel van het Unierecht niet zorgvuldig was getoetst en dat de coronapandemie een onevenredige vertraging veroorzaakt.
De rechtbank oordeelde dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een discretionaire bevoegdheid is die lidstaten vrij laat in de invulling ervan. Het beleid van verweerder is niet strijdig met deze bepaling. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Oostenrijk zijn asielrelaas onzorgvuldig heeft beoordeeld of dat hij bij terugkeer geen opvang zal krijgen.
Verder oordeelde de rechtbank dat het coronavirus een tijdelijk overdrachtsbeletsel vormt, maar dat dit geen reden is om het toetsmoment te wijzigen of de overdracht niet te laten plaatsvinden binnen de wettelijke termijn. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat het besluit binnen de kaders van de Dublinverordening bleef en geen sprake was van onredelijke vertraging.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.