ECLI:NL:RBDHA:2020:10582
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Statushouder mag opvang blijven afwachten tijdens beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag
Eiser, een statushouder die internationale bescherming geniet in Griekenland, kreeg te horen dat hij zijn opvanglocatie in Nederland moest verlaten nadat zijn asielaanvraag in Nederland niet-ontvankelijk was verklaard. Hij stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting uit de opvang te voorkomen.
De rechtbank stelde vast dat de mededeling van beëindiging opvang een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is en dat eiser rechtmatig verblijf heeft zolang zijn verzoek om voorlopige voorziening in behandeling is. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Vreemdelingenbesluit 2000, die bepalen dat het recht op opvang niet eindigt met de niet-ontvankelijkverklaring zolang het beroep en de voorlopige voorziening in behandeling zijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte de opvang beëindigde en dat eiser in de opvang mag blijven totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist. De rechtbank vernietigde de feitelijke handeling tot beëindiging van de opvang, wees het verzoek om voorlopige voorziening af wegens overbodigheid en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beëindiging van de opvang en bepaalt dat eiser in de opvang mag blijven totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.