ECLI:NL:RBDHA:2020:10631
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling projectplan kadeverbetering Veenderpolder en kap bomen in relatie tot waterveiligheid
Het geschil betreft het projectplan Kadeverbetering Veenderpolder vastgesteld door het Hoogheemraadschap van Rijnland. Eiser betwist de ligging van de waterkering, die buitenom zijn perceel is gesitueerd, en de kap van 86 bomen die volgens hem onnodig is en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank toetst marginaal of verweerder binnen de beleidsvrijheid en doelstellingen van de Waterwet tot het besluit heeft kunnen komen.
De rechtbank stelt vast dat de ligging van de waterkering conform de legger buitenom het perceel van eiser is vastgesteld, waarbij historische kaarten aantonen dat de ligging in het verleden wisselde maar de huidige legger bepalend is. Het alternatievenonderzoek van Iv-Infra toont aan dat binnendoor situeren technisch en ruimtelijk onhaalbaar is en onvoldoende bescherming biedt. Verweerder heeft de belangen van eiser zorgvuldig betrokken en gemotiveerd afgewogen tegen het veiligheidsbelang.
Het vertrouwensbeginsel faalt omdat eiser geen aannemelijk bewijs levert dat hem zeggenschap over de ligging is toegezegd. De ecologische gevolgen van de kap zijn onderzocht en waar nodig worden ontheffingen aangevraagd. De rechtbank acht de belangenafweging en motivering voldoende en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het projectplan kadeverbetering wordt ongegrond verklaard en het besluit wordt in stand gelaten.