ECLI:NL:RBDHA:2020:10669

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
23 oktober 2020
Zaaknummer
NL20.6195
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 VwArt. 66a VwHoofdstuk 4 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en inreisverbod wegens illegale uitreis naar Verenigd Koninkrijk

Eiser, een Albanese staatsburger geboren in 1996, kreeg op 29 februari 2020 een terugkeerbesluit opgelegd met een inreisverbod van twee jaar door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit besluit werd genomen omdat eiser zich had onttrokken aan het vreemdelingentoezicht en illegaal naar het Verenigd Koninkrijk wilde reizen. Eiser stelde dat hij nog binnen zijn vrije vertrektermijn zat, een geldig paspoort had, en dat het onthouden van de vertrektermijn onevenredig was. Tevens voerde hij aan dat hij een vaste woonplaats en voldoende middelen had en dat Albanië binnenkort tot de EU zou toetreden, waardoor hij vrij zou kunnen reizen.

De rechtbank overwoog dat het risico op onttrekken aan het toezicht reeds in een eerdere uitspraak was vastgesteld en dat dezelfde feiten hieraan ten grondslag lagen. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod waren daarom terecht opgelegd. De mogelijke toetreding van Albanië tot de EU werd als een toekomstige en onzekere gebeurtenis beschouwd, waardoor geen reden was om het inreisverbod te matigen. Ook was onvoldoende gebleken dat eiser seizoensarbeid wilde verrichten, mede omdat hij illegaal naar het Verenigd Koninkrijk wilde reizen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel en griffier A. Nobel op 21 oktober 2020. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.6195

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020.
Eiser en verweerder hebben heeft zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Albanese nationaliteit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), aangezien hij zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Ook heeft eiser zich niet aan één of meer van de voor hem geldende verplichtingen gehouden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en beschikt hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats of over voldoende middelen van bestaan. Als gevolg van het terugkeerbesluit heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
3. Eiser betoogt dat het onthouden van een vertrektermijn onevenredig is. Hij voert daartoe aan dat hij nog in zijn vrije termijn zat en dat hij graag zelf wilde terugkeren naar Albanië. Ook beschikt hij over een geldig paspoort. Er bestaat dus geen aanleiding voor het oordeel dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Voorts heeft hij een vaste woonplaats in Albanië en kon hij geld krijgen van familie, aldus eiser.
Voorts betoogt eiser dat verweerder bij het opleggen van het inreisverbod onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiser. Voor Albanezen geldt geen visumplicht en Albanië zal binnenkort toetreden tot de Europese Unie, waardoor eiser ook recht heeft op vrij verkeer. Verweerder had daarop moeten anticiperen. Verder voert eiser aan dat hij door het inreisverbod twee jaar lang geen seizoensarbeid meer kan verrichten in Europa, terwijl hij het geld dat hij daarmee verdient hard nodig heeft.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit.
4.1
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 16 maart 2020 (NL20.5582) inzake de inbewaringstelling van eiser onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2018:1911) reeds overwogen dat er voldoende aanleiding is om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan het vreemdelingentoezicht. Aan de inbewaringsstelling lagen dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag als aan het terugkeerbesluit. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft dan ook op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw aan eiser een terugkeertermijn mogen onthouden.
Ten aanzien van het inreisverbod.
4.2
Verweerder heeft het inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw als rechtstreeks gevolg van het terugkeerbesluit opgelegd. Dat Albanië mogelijk zal toetreden tot de Europese Unie, zoals eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod, nu dit een toekomstige onzekere gebeurtenis is waarmee verweerder geen rekening heeft hoeven houden. Hetgeen eiser daarover verder heeft aangevoerd, heeft hij niet nader onderbouwd. Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen, wordt overwogen dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser tijdens het gehoor geen bedenkingen ten aanzien van het inreisverbod naar voren heeft gebracht, terwijl hem daartoe wel de gelegenheid is geboden. De omstandigheid dat eiser op dat moment nog niet werd bijgestaan door een advocaat, doet daar niet aan af, nu hem tijdens het gehoor is uitgelegd wat het inreisverbod inhoud en niet is gebleken dat eiser dit niet heeft begrepen. Voorts wordt overwogen dat onvoldoende is gebleken dat eiser voornemens is seizoensarbeid te willen verrichten in Europa. Eiser was immers voornemens illegaal naar het Verenigd Koninkrijk te reizen. Verweerder heeft in de wens van eiser om seizoensarbeid te willen verrichten dan ook geen bijzondere omstandigheden hoeven zien om van het opleggen van het inreisverbod af te zien.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.