Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
aanvragervormt voor de volksgezondheid. Het dient derhalve te gaan om een individuele bedreiging en niet om een algemene aanname. Verder hebben de gestelde beperkingen ten aanzien van COVID-19 slechts betrekking op het reizen en niet zozeer op de visumaanvragen en de bezwaren en beroepen. Gewezen wordt op het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van 19 december 2013 (C-84/12). Uit het arrest noch uit het advies van de Europese Commissie van 16 maart 2020 blijkt van een mogelijkheid om lopende bezwaren of beroepen vereenvoudigd ongegrond te verklaren vanwege de pandemie. Ook dit heeft slechts betrekking op het reizen. Het gaat slechts om een tijdelijke afsluiting van de buitengrenzen. De aanvragen voor visa lang verblijf worden wel beoordeeld.
in beginselworden aangemerkt als niet-essentiële bezoeken, wat impliceert dat deze niet per definitie niet-essentieel zijn. Op voorhand, zonder tegen de nieuwe grondslag gerichte bezwaargronden, kon dan ook niet worden gesteld dat horen zinloos zou zijn omdat eiseres naar inschatting en veronderstelling van verweerder niets zou kunnen inbrengen tegen de weigering op de nieuwe grondslag, nog daargelaten dat dit niet de aan te leggen maatstaf is voor het kunnen afzien van horen op grond van artikel 7:3 onder Pro b van de Awb (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2729). In het bestreden besluit wordt hierover overwogen dat niet is gebleken dat eiseres moet worden aangemerkt als reiziger met een essentiële functie of als iemand aan wiens aanwezigheid een wezenlijk belang wordt gehecht. Deze conclusie trekken zonder eiseres of referent daarover te horen, is naar het oordeel van de rechtbank onder de hier aan de orde zijnde omstandigheden, met name gelet op het feit dat de weigering in bezwaar is gebaseerd op nieuwe omstandigheden die ten tijde van de aanvraag, het primaire besluit en het bezwaarschrift nog niet bekend waren, onzorgvuldig. Weliswaar kan eiseres worden tegengeworpen dat zij een nieuwe visumaanvraag had kunnen en wellicht moeten indienen als er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden zoals aan de orde in de uitzonderingen op het inreisverbod, maar dat ontslaat verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet van zijn hoorplicht en plicht om de beslissing op bezwaar zorgvuldig voor te bereiden en daartoe de nodige informatie te vergaren.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond.
- draagt verweerder op het betaalde griffierrecht van € 178,- aan eiseres te vergoeden;
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2020.