Eisers hebben beroep ingesteld tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid omdat deze niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank stelt vast dat verweerder inderdaad te laat is met het nemen van een besluit en dat eisers hem op 28 oktober 2019 in gebreke hebben gesteld. Sindsdien zijn meer dan twee weken verstreken zonder beslissing.
Verweerder geeft aan dat er achterstanden zijn in de behandeling van asielaanvragen door een toename van zaken en personele wisselingen, waardoor hij geen concrete termijn kan geven voor de beslissing op de aanvraag van eisers. Hij verzoekt de rechtbank om een termijn van acht weken voor het eerste gehoor na verzending van de uitspraak en acht weken daarna voor het besluit, verwijzend naar een eerder vonnis.
De rechtbank overweegt dat eisers nog geen gelegenheid hebben gehad hun aanvraag te onderbouwen, waardoor het onduidelijk is welke asielprocedure van toepassing is. Gelet op het belang van een zorgvuldige besluitvorming en duidelijkheid voor eisers, legt de rechtbank een uiterlijke beslistermijn van zestien weken op, conform het 8+8 wekenmodel dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend acht.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €7.500. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot betaling van €262,50 aan proceskosten aan eisers. De uitspraak is gedaan door rechter Y. Sneevliet en griffier M. Bos, en is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen.