ECLI:NL:RBDHA:2020:11718
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wegens tijdelijk verblijfsrecht zoekjaar
Eiseres had rechtmatig verblijf in Nederland van september 2010 tot juni 2018 voor studie, gevolgd door een verblijfsvergunning voor het zoekjaar (juni 2018 - juni 2019) en daarna als kennismigrant. Zij vroeg op 13 september 2019 een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen aan, maar deze werd door verweerder afgewezen omdat zij niet voldeed aan de eis van vijf jaar onafgebroken verblijf met een niet-tijdelijk verblijfsdoel.
Verweerder rekent de verblijfsperiode voor studie slechts voor de helft mee en telt het zoekjaar niet mee omdat dit een tijdelijk verblijfsrecht betreft. Dit is gebaseerd op artikel 45b van de Vreemdelingenwet 2000 en de interpretatie van de Richtlijn langdurig ingezetenen, zoals toegelicht in het arrest Mangat Singh van het Hof van Justitie.
De rechtbank toetst of de verblijfsvergunning voor het zoekjaar een formeel beperkte vergunning is die duurzame vestiging uitsluit. Gelet op de wettelijke bepalingen is deze vergunning maximaal één jaar geldig, niet verlengbaar en heeft zij als doel het zoeken naar en verrichten van arbeid, waardoor duurzame vestiging niet mogelijk is op basis van deze vergunning.
Daarom is het zoekjaar niet mee te tellen bij de berekening van de vereiste verblijfsduur voor de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wordt afgewezen wegens tijdelijk verblijfsrecht zoekjaar.