ECLI:NL:RBDHA:2020:11728
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening te veel ontvangen bijstand en niet-betrokken beroep op artikel 6 EVRM
Eiser ontvangt sinds maart 2019 een bijstandsuitkering en werd geconfronteerd met een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand. Verweerder schortte de uitkering op vanwege niet-overgelegde bankafschriften en blokkeerde betalingen. Na inlevering van de gevraagde stukken handhaafde verweerder de verrekening van te veel ontvangen bijstand over april 2019 met de uitkering van mei 2019.
Eiser betwist de schending van zijn inlichtingenplicht en stelt dat de kasstortingen afkomstig zijn van gepind en teruggestort gokgeld, niet van inkomen. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat kasstortingen in beginsel als inkomen gelden, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet zo is. Eiser slaagt hier niet in, waardoor de verrekening terecht is toegepast.
Het beroep op artikel 6 EVRM Pro is niet betrokken bij de heroverweging, wat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel vormt. De rechtbank passeert dit gebrek echter omdat het beroep kennelijk niet slaagt. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verrekening van te veel ontvangen bijstand wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.