ECLI:NL:RBDHA:2020:11729
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting na sluiting woning
Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet en zijn woning werd op last van de burgemeester gesloten per 29 mei 2019. Verweerder trok daarop de bijstandsuitkering in omdat eiser niet had gemeld dat hij niet meer op het uitkeringsadres woonde en ook niet had aangegeven waar hij feitelijk verbleef.
Eiser voerde aan dat hij ervan uitging dat zijn woning ondanks de sluiting nog als verblijfsadres kon gelden en dat hij niet adequaat was gewezen op het belang van de melding. Tevens stelde hij dat zijn persoonlijkheidsstoornis hem belemmerde om dit te bevatten en dat hij in bezwaar melding had gemaakt van zijn verblijfssituatie.
De rechtbank oordeelt dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij de wijziging in zijn woonsituatie niet heeft gemeld en ook niet heeft aangegeven waar hij verbleef. Zijn betoog dat hij dit niet kon begrijpen wegens zijn stoornis is niet met objectieve medische gegevens onderbouwd. De rechtbank wijst erop dat het aan eiser was om duidelijkheid te verschaffen over zijn verblijfplaats.
De intrekking van de bijstand is daarom terecht en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting.