Eiser, werkzaam bij de politie, verzocht om plaatsing in de functie van Operationeel Specialist A (OS A) op basis van tijdelijke werkzaamheden die hij sinds 2014 verrichtte. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet had aangetoond drie jaar onafgebroken in die functie te hebben gewerkt en niet in overwegende mate aan de niveaubepalende elementen te voldoen.
De rechtbank stelde vast dat eiser sinds 1 januari 2014 onafgebroken werkzaamheden op het niveau van OS A had verricht, zoals ook eerder door de Centrale Raad van Beroep was vastgesteld. Eiser had dit onderbouwd met een uitgebreid portfolio en een Ervaringscertificaat (EVC) van de Politieacademie, waaruit bleek dat hij in overwegende mate aan de kernactiviteiten van de functie voldeed.
Verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom hij het EVC en de onderbouwing van eiser niet accepteerde. Ook had verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiser bij de beslissing op bezwaar, terwijl het bezwaar niet kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.