ECLI:NL:RBDHA:2020:11734
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijzondere bijstand voor huurschuld wegens voldoende middelen
Verzoeker, een bijstandsgerechtigde, vroeg bijzondere bijstand aan voor het aflossen van een huurschuld. Deze aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Gouda afgewezen omdat bijzondere bijstand voor het aflossen van schulden in principe niet mogelijk is.
Verzoeker stelde dat hij door zijn financiële situatie niet in staat was de huurachterstand te voldoen en dat er dringende redenen waren om toch bijstand toe te kennen, onder meer vanwege het dreigende verlies van zijn woning en inkomen. Hij voerde ook aan dat geen belangenafweging had plaatsgevonden en dat de afwijzing in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker bij het ontstaan van de schuld beschikte over een bijstandsuitkering en daarmee over voldoende middelen om de huur te voldoen. De inhouding van de bestuursrechtelijke zorgpremie maakte dit niet anders, mede omdat verzoeker recht heeft op zorgtoeslag. Er was geen sprake van een acute noodsituatie zoals vereist voor het toekennen van bijzondere bijstand op grond van dringende redenen.
Daarom stond artikel 13 van Pro de Participatiewet aan het verlenen van bijzondere bijstand in de weg en was er geen grond om af te wijken. De voorzieningenrechter vond de besluitvorming niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor bijzondere bijstand voor huurschuld wordt afgewezen wegens voldoende middelen en ontbreken van dringende redenen.