ECLI:NL:RBDHA:2020:11781
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens niet-alleenstaande minderjarige onterecht
Eisers, de biologische ouders van een minderjarige Syrische asielzoeker (referent), vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis aan. Verweerder wees de aanvraag af omdat referent niet als alleenstaande vreemdeling werd beschouwd volgens artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De rechtbank stelde vast dat de minderjarigheid van referent niet meer in geschil was, maar dat het geschil draaide om de kwalificatie als alleenstaande vreemdeling. De rechtbank overwoog dat het peilmoment voor deze beoordeling de datum van het asielverzoek in de eerste lidstaat is, maar dat latere omstandigheden ook relevant kunnen zijn.
Verweerder stelde dat referent door een overnameakkoord onder de hoede van zijn oom was gekomen, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet betekent dat referent daadwerkelijk onder de hoede van de oom stond krachtens wet of gewoonterecht. De intentie van referent en zijn ouders was hereniging met de ouders, en referent verbleef na aankomst in Nederland in een AZC, niet bij zijn oom.
De rechtbank concludeerde dat verweerder ten onrechte het standpunt had ingenomen dat referent niet als alleenstaande vreemdeling kon worden aangemerkt, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet een nieuw besluit nemen.