De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot echtscheiding en nevenvoorzieningen tussen partijen met dubbele Nederlandse en Turkse nationaliteit. De echtscheiding was reeds uitgesproken door een Turkse rechter en ingeschreven bij de Turkse burgerlijke stand, waardoor deze in Nederland erkend wordt op grond van het Luxemburgse verdrag en het Nederlandse Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen. De nevenvoorzieningen, waaronder partneralimentatie, voortgezet gebruik van de echtelijke woning en afwikkeling van het huwelijksvermogensregime, werden als zelfstandige verzoeken behandeld. Het verzoek tot voortgezet gebruik van de woning werd afgewezen omdat de maximale periode van zes maanden na inschrijving van de echtscheiding was verstreken.
Voor partneralimentatie werd de Nederlandse rechter bevoegd geacht, maar de rechtbank kon nog geen oordeel geven wegens het ontbreken van recente inkomensgegevens. Partijen werden verzocht deze gegevens aan te leveren en konden instemmen met schriftelijke afdoening vanwege coronamaatregelen. De afwikkeling van het huwelijksvermogensregime werd verwezen naar een andere team binnen de rechtbank voor verdere behandeling volgens de dagvaardingsprocedure.
De rechtbank stelde een datum voor verdere behandeling vast en gaf procesinstructies voor betekening aan de wederpartij.