Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , geboren op [geboortedag] 1977, eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 17 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 juli 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daarnaast heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en dat geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Ook heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat verweerder aan hem een dwangsom van € 1.037,00 is verschuldigd.Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL19.31448.
Overwegingen
Het besluit van 9 februari 2018
De eerdere uitspraak in beroep en hoger beroep
“(…) 5.3 De staatssecretaris heeft bij de beoordeling van de gebruikelijke verblijfplaats van de vreemdeling terecht van belang geacht dat de vreemdeling van 2003 tot 2011 en van 18 juni 2014 tot 20 november 2016 legaal in de VAE heeft verbleven, in dat land heeft gewerkt en van 2003 tot 2011 gezinsleven heeft uitgeoefend met zijn vrouw en kinderen, die met hem legaal in de VAE hebben verbleven. Verder heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheden dat de VAE aan de vreemdeling een rijbewijs hebben verstrekt en in het paspoort van de vreemdeling een e-gate sticker zit waarmee de vreemdeling de VAE via elektronische poorten kan in- en uitreizen voorts erop duiden dat het voor de vreemdeling gebruikelijk was zich in de VAE te bewegen en hij daar het centrum van zijn activiteiten had. Ook heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling nauwe banden had met de VAE, aangezien hij na beëindiging van een dienstbetrekking in Syrië met zijn gezin naar de VAE is teruggekeerd om daar te gaan wonen en werken en daar rechtmatig verblijf had tot en met 21 september 2018. Aldus heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling in de VAE het centrum van zijn activiteiten heeft gehad en dit land zijn gebruikelijke verblijfplaats is.
Standpunt van verweerder
a.Uit dat onderzoek is gebleken dat eiser een Palestijnse vluchteling is die bij de UNRWA is geregistreerd in het vluchtelingenkamp Al Yarmouk. Vervolgens heeft verweerder een nieuw voornemen uitgebracht. In het voornemen van 12 november 2019 heeft verweerder vastgesteld dat het asielrelaas van eiser bestaat uit de volgende relevante elementen:
Het standpunt van eiser
‘Applicability of Aricle 1D of the 1951 Convention relating tot he Status of Refugees tot Palestinian Refugees’, in het bijzonder paragraaf 3. Toen eiser gedwongen werd de VAE te verlaten, was het voor hem onmogelijk om terug te gaan naar Syrië om daar opnieuw bescherming te vragen. Eiser heeft Syrië niet vrijwillig verlaten en daar komt nog bij dat uit onderzoek van verweerder is gebleken dat UNRWA niet in staat is om Palestijnen in Syrië te beschermen. Eiser verwijst daarbij ook naar punt 143 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 25 juli 2018 in de zaak Alheto (C-585/16). Volgens eiser kan de VAE niet worden aangemerkt als een land dat bescherming of bijstand van de UNRWA erkent en het beginsel van non-refoulement toepast. Daarnaast voert eiser aan dat de VAE in zijn geval niet op juiste gronden als gebruikelijke verblijfplaats is aangemerkt. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar een brief van UNHCR Nederland en een COI note van de UNHCR in Amman. Eiser zal geen toegang krijgen tot de VAE. Tot slot heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.
Het oordeel van de rechtbank
Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag
.De rechtbank verwijst hiervoor naar overweging 4.4 van de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:447.
Gebruikelijke verblijfplaats
UNHCR Handbook and Guidelines on procedures and criteria for determining refugee status’(UNHCR Handbook) en de ‘
UNHCR Guidelines on statelessness no. 4’(UNHCR Guidelines), reeds heeft geoordeeld dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser in de VAE het centrum van zijn activiteiten heeft gehad en dat dit land als zijn gebruikelijke verblijfplaats kan worden aangemerkt. De Afdeling heeft daarbij ook expliciet overwogen dat uit paragraaf 41 van de hiervoor genoemde Guidelines van de UNHCR volgt dat het begrip 'gebruikelijke verblijfplaats' feitelijk moet worden uitgelegd en gaat over een stabiele, feitelijke verblijfplaats van een vreemdeling. Door de uitspraak van de Afdeling staat derhalve vast dat de VAE de gebruikelijke verblijfplaats van eiser is.
De ‘gewone’ asieltoets
Het gelijkheidsbeginsel
De conclusie
Beslissing