ECLI:NL:RBDHA:2020:12264
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige voorziening in Dublin-overdrachtszaak
Verzoekers, beiden van Iraanse nationaliteit, hadden beroep ingesteld tegen besluiten waarin hun asielaanvragen niet in behandeling werden genomen wegens verantwoordelijkheid van Italië onder de Dublinverordening. Zij vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de overdracht aan Italië opschortte, welke op 30 september 2019 werd toegewezen.
Verzoekers verzochten vervolgens om opheffing van deze voorlopige voorzieningen, stellende dat de overdrachtstermijn van zes maanden inmiddels was verstreken. De voorzieningenrechter overwoog dat de overdrachtstermijn op 18 april 2019 begon te lopen en door de voorlopige voorzieningen was geschorst, waardoor de termijn niet was verstreken.
Er waren geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een opheffing of wijziging van de voorlopige voorzieningen rechtvaardigden. De voorzieningenrechter benadrukte dat verzoekers niet zowel niet overdraagbaar kunnen zijn als de overdrachtstermijn kunnen laten doorlopen, wat in strijd is met de Dublinverordening.
Daarom werden de verzoeken tot opheffing van de voorlopige voorzieningen afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De verzoeken tot opheffing van de voorlopige voorzieningen worden afgewezen omdat de overdrachtstermijn niet is verstreken en er geen nieuwe feiten zijn.