Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
gemeente Den Haag, te Den Haag, vergunninghoudster.
Rechtbank Den Haag
Aan vergunninghoudster is een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een ondergrondse entree en fietsenstalling (EeF) bij de Kijkduinsestraat en onder het Deltaplein. Eiseressen, eigenaar en ontwikkelaar van het nabijgelegen hotel, stelden beroep in tegen dit besluit omdat de enige toegangsweg naar het hotel tijdens de aanlegwerkzaamheden zou vervallen zonder dat een alternatieve ontsluiting was gegarandeerd.
De rechtbank oordeelt dat de aanlegwerkzaamheden een ingrijpende verstoring veroorzaken doordat de enige toegangsweg naar het hotel komt te vervallen. Het bestreden besluit voorziet niet in een tijdelijke alternatieve toegangsweg of andere ontsluiting, noch zijn hieraan voorwaarden verbonden. Hierdoor ontbreekt een goede ruimtelijke onderbouwing en is het besluit in strijd met het bestemmingsplan en de vereisten van een zorgvuldige belangenafweging.
Verder concludeert de rechtbank dat de aanleg- en bouwactiviteiten van de EeF fysiek van elkaar te scheiden zijn en dat een gefaseerde vergunningaanvraag niet verplicht was. Ook is geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die de vergunningverlening in de weg staat. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, en veroordeelt verweerder in de proceskosten en het griffierecht van eiseressen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens ontbreken van een tijdelijke alternatieve toegangsweg en onvoldoende ruimtelijke onderbouwing.