In deze internationale kinderontvoeringszaak diende de rechtbank Den Haag een verzoek van de vader tot opname van een vaststellingsovereenkomst betreffende de minderjarige. De zaak werd behandeld door de meervoudige kamer, waarbij mediation werd aangeboden om tot een minnelijke regeling te komen. Na aanvankelijke terughoudendheid stemden de ouders uiteindelijk in met een crossborder mediation traject.
De mediation resulteerde in volledige overeenstemming tussen de ouders over de zorg en omgang met de minderjarige. De rechtbank ontving vervolgens het verzoek om deze afspraken in een beschikking op te nemen. De gewone verblijfplaats van de minderjarige was inmiddels Nederland geworden, en beide ouders erkenden de bevoegdheid van de rechtbank om over het verzoek te beslissen.
De rechtbank besloot het verzoek toe te wijzen en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens werden de werkzaamheden van de bijzondere curator, die was benoemd om de belangen van de minderjarige te behartigen, als beëindigd beschouwd. De beschikking werd uitgesproken op 27 november 2020 door drie kinderrechters.