Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij een familierechtelijke procedure over vervangende toestemming voor een reis naar Brazilië met minderjarige kinderen. Verzoeker stelde dat de rechter hem onvoldoende gelegenheid gaf om zijn standpunt toe te lichten, hem herhaaldelijk onderbrak en vreemde gezichten trok, wat de schijn van partijdigheid zou wekken.
De wrakingskamer baseerde haar oordeel op het proces-verbaal van de zitting waarin het wrakingsverzoek werd ingediend, de schriftelijke en mondelinge toelichtingen van partijen en de reactie van de rechter. Uit het proces-verbaal bleek dat alle partijen uitgebreid het woord konden voeren en dat er geen bewijs was dat verzoeker systematisch werd onderbroken.
De wrakingskamer benadrukte dat het bewaken van de zittingsduur en het bepalen van de regie tijdens de zitting tot de taak van de rechter behoort en dat een opmerking over spreektijd niet zonder meer duidt op partijdigheid. Ook was de klacht over het trekken van vreemde gezichten onvoldoende concreet en werd door de rechter weersproken.
Gezien het ontbreken van bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleveren, wees de wrakingskamer het verzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van partijdigheid.