ECLI:NL:RBDHA:2020:13760
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens onvoldoende bewijs identiteit en nationaliteit voor verblijfsrecht EU
Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, vroeg om een verblijfsdocument op basis van het EU-gemeenschapsrecht vanwege haar minderjarige Nederlandse dochter. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank bevestigt dat het overleggen van geldige identificatiedocumenten vereist is om verblijfsrecht te verkrijgen.
Eiseres stelde dat het Chavez-arrest van het Hof van Justitie het overleggen van documenten niet als vereiste noemt en dat het belang van het kind prevaleert. De rechtbank oordeelt echter dat het Unierecht toestaat dat lidstaten bewijs van identiteit en nationaliteit verlangen, en dat eiseres niet heeft voldaan aan deze eis. Ook de door eiseres overgelegde documenten en pogingen om bewijs te verkrijgen, waaronder een DNA-onderzoek, zijn onvoldoende.
De rechtbank concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een derdelander is zonder verblijfsrecht in de EU, waardoor zij geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 VWEU Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit voor verblijfsrecht.