ECLI:NL:RBDHA:2020:14096
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag op grond van onvoldoende daadwerkelijke zorgtaken en afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat zijn minderjarige dochter in Nederland verblijft. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eiser onvoldoende aantoonde dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht en dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat het kind gedwongen zou zijn de EU te verlaten bij weigering van verblijfsrecht.
De rechtbank stelde vast dat eiser slechts een marginaal contact met zijn dochter heeft, namelijk eens in de twee weken een middag, waarbij de moeder op de achtergrond aanwezig is. Het gezag en de hoofdverzorging liggen bij de moeder. Eiser kon niet aannemelijk maken dat het belang van het kind geschaad zou worden bij weigering van zijn verblijfsrecht. Verder werd een verzoek om het onderzoek te heropenen en nieuwe bewijsstukken toe te laten afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.
Eiser voerde ook aan dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 EVRM Pro, maar de rechtbank volgde dit niet. Gezien het voorgaande werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.