ECLI:NL:RBDHA:2020:14235
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens ernstige bedreiging openbare orde na veroordeling zedendelict
Eiser, een Eritrese asielzoeker, kreeg een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die later werd ingetrokken vanwege een veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf voor verkrachting in vereniging. Verweerder stelde dat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, wat rechtvaardigt dat zijn vergunning wordt ingetrokken en verlenging wordt afgewezen. Eiser voerde aan dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is en dat hij een positieve gedragsontwikkeling heeft doorgemaakt, met een gering risico op recidive.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de ernst van het misdrijf, de opgelegde straf en het ontbreken van berouw heeft meegewogen. Ook het tijdsverloop en het gedrag van eiser na het misdrijf, waaronder een openstaande strafzaak, rechtvaardigen het oordeel dat eiser een gevaar vormt. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro werd verworpen, omdat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het privéleven van eiser.
Verder werd geoordeeld dat het terugkeerbesluit zonder specifieke bestemming niet onrechtmatig is, aangezien eiser niet zal worden uitgezet naar Eritrea vanwege het risico op ernstige schade. Het inreisverbod voor tien jaar is eveneens gegrond. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning, afwijzing van verlenging en oplegging van een inreisverbod van tien jaar wegens ernstige bedreiging van de openbare orde.