ECLI:NL:RBDHA:2020:14351
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen rechtmatig verblijf en ongegrond beroep tegen verwijderingsmaatregel EU-burger
Eiser, een Poolse EU-burger, werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geconfronteerd met een besluit dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van het Unierecht. Dit besluit volgde op een politievoorstel en een bezwaarprocedure die ongegrond werd verklaard. Volgens het bestuursorgaan voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 7 van Pro Richtlijn 2004/38/EG, omdat hij geen arbeid verricht, niet als werkzoekende kan worden aangemerkt, geen verzekering tegen ziektekosten heeft afgesloten en onvoldoende middelen van bestaan kan aantonen.
Eiser voerde aan dat hij geen onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel en dat verwijdering niet gerechtvaardigd is, mede verwijzend naar een Britse uitspraak over discriminatie van dakloze EU-onderdanen. De rechtbank overwoog dat de bewijslast bij eiser ligt om voldoende bestaansmiddelen aan te tonen en dat het niet aanvragen van sociale bijstand niet automatisch betekent dat hij aan deze eis voldoet. Ook concludeerde de rechtbank dat het politieonderzoek niet systematisch of discriminerend was.
De rechtbank volgde de argumentatie van de Staatssecretaris en concludeerde dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat de verwijderingsmaatregel terecht is opgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter Bosman op 9 december 2020.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit dat hij geen rechtmatig verblijf heeft en de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard.