ECLI:NL:RBDHA:2021:15807
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen verwijderingsbesluit Unieburger zonder rechtmatig verblijf
De zaak betreft het beroep van een Roemeense Unieburger tegen een verwijderingsbesluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Het primaire besluit werd gevolgd door een bezwaarprocedure en eerdere uitspraak waarin de rechtbank bepaalde dat de vaderrol van eiser betrokken moest worden bij de belangenafweging.
In het bestreden besluit handhaafde de staatssecretaris het verwijderingsbesluit, stellende dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als werkende of werkzoekende Unieburger. De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende bewijs leverde van werk of werkzoekend zijn, mede vanwege detentie en financiële afhankelijkheid van familie en voedselbank.
Verder concludeerde de rechtbank dat de belangenafweging terecht in het nadeel van eiser uitviel, omdat hij geen biologische vader is en onvoldoende betrokkenheid bij de kinderen kon aantonen. Ook werd geoordeeld dat de staatssecretaris niet verplicht was ambtshalve te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De rechtbank wees tevens het verzoek om griffierechtvrijstelling toe.
Uitkomst: Het beroep tegen het verwijderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.