Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2020:14384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 oktober 2020
Publicatiedatum
9 maart 2021
Zaaknummer
AWB 19/7123
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 VreemdelingenwetArt. 20 VWEUArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument op grond van afgeleid verblijfsrecht artikel 20 VWEU

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet, waarbij hij zich beroept op het arrest Chavez-Vilchez en een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 VWEU Pro vanwege zijn dochter die de Nederlandse nationaliteit bezit.

Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser een geldige verblijfsvergunning in Spanje heeft en de dochter daardoor niet gedwongen wordt de EU te verlaten. Eiser voerde aan dat het gezin niet rechtmatig in Spanje kan verblijven en dat hij daarom toch recht heeft op het document.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn dochter niet in Spanje kan verblijven en dat het arrest Chavez-Vilchez alleen ziet op situaties waarin het kind gedwongen wordt de EU te verlaten vanwege het ontbreken van verblijfsrecht van de ouder. Omdat eiser zelf in Spanje verblijfsrecht heeft, is geen sprake van zo'n situatie.

De rechtbank hoeft daarom de afhankelijkheidsrelatie niet te beoordelen en wijst het beroep af. Ook toetst de rechtbank niet aan artikel 8 EVRM Pro omdat dit niet tot afgifte van het gevraagde document kan leiden. Het beroep is ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/7123

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1976, van Marokkaanse nationaliteit,eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 17 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na de zitting is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De zitting van de meervoudige kamer zou plaatsvinden op 14 mei 2020, maar in verband met de maatregelen rondom het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Nadat beide partijen daarmee hebben ingestemd, heeft de meervoudige kamer besloten om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

1. Eiser is getrouwd met [A] . Zij hebben samen een dochter, [B (voornaam)] . [B (voornaam)] is geboren op [geboortedatum 2] 2017. [B (voornaam)] en [A] hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Eiser heeft bij zijn aanvraag een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez. [1] Eiser heeft daarbij gesteld dat tussen hem en [B (voornaam)] een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat, dat [B (voornaam)] wordt gedwongen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als verweerder eiser het aangevraagde document weigert. Eiser stelt dat hij daarom een van [B (voornaam)] afgeleid verbijfsrecht ontleent aan artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser in Spanje een verblijfsvergunning heeft. Verweerder stelt dat [B (voornaam)] vanwege het verblijfsrecht van eiser in Spanje kan verblijven en niet wordt gedwongen om samen met eiser het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Eiser kan zich dus volgens verweerder niet met succes beroepen op het arrest Chavez-Vilchez.
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert in beroep aan dat hij ondanks het verblijfsrecht in Spanje een beroep kan doen op het arrest Chavez-Vilchez. Hij benadrukt dat voor de beantwoording van de vraag of eiser een van [B (voornaam)] afgeleid verblijfsrecht heeft in Nederland mede van betekenis is het antwoord op de vraag of [B (voornaam)] en [A (voornaam)] zich in Spanje kunnen vestigen. Verweerder had daarom moeten onderzoeken of [B (voornaam)] en [A (voornaam)] rechtmatig in Spanje kunnen verblijven. Eiser stelt dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord en dat niet van [B (voornaam)] kan worden verwacht dat zij naar Spanje gaat om zo aan te tonen dat zij daar geen verblijf krijgt. De enige mogelijkheid die overblijft is dat het gezin samen naar Marokko gaat en dus de Europese Unie (EU) moet verlaten.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen afgeleid verblijfsrecht in Nederland kan ontlenen aan artikel 20 van Pro de VWEU. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een verblijfsvergunning heeft in Spanje. Volgens de gegevens van verweerder is die verblijfsvergunning geldig tot 9 februari 2021. De rechtbank stelt vast dat het arrest Chavez-Vilchez zich beperkt tot de vraag of een kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan zijn derdelander ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. Voor wat betreft de verdeling van de bewijslast staat in overweging 78 van het arrest dat het in de eerste instantie aan de derdelander ouder is om de gegevens te verschaffen die aantonen dat het weigeren van het verblijfsrecht tot gevolg heeft dat het minderjarige kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft de EU ook zou moeten verlaten. Voor zover eiser stelt dat het voor [B (voornaam)] niet mogelijk is om in Spanje duurzaam verblijfsrecht te krijgen, zij daardoor genoodzaakt zijn om met eiser naar Marokko te vertrekken en dus het grondgebied van de EU dienen te verlaten, is dit in eerste instantie aan eiser om aan te tonen. Eiser heeft zijn stelling dat het voor [B (voornaam)] niet mogelijk is samen met hem in Spanje te verblijven niet onderbouwd. Eiser kan gelet op zijn verblijfsvergunning in Spanje in de EU blijven, zodat verweerder ervan mocht uitgaan dat [B (voornaam)] niet gedwongen wordt de EU (met haar vader) te verlaten. Van een situatie zoals in het arrest Chavez-Vilchez is dus geen sprake. Omdat [B (voornaam)] niet gedwongen wordt de EU te verlaten, hoefde verweerder de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [B (voornaam)] niet te beoordelen. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om verlening van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet, terecht geweigerd.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vervolgens niet hoefde te toetsen of aan eiser verblijf zou moeten worden toegestaan op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft uitgelegd dat zijn echtgenote vanwege haar medische situatie is gebonden aan Nederland en niet alleen voor [B (voornaam)] kan zorgen, zodat het gezin uit elkaar zou worden gehaald als eiser niet in Nederland kan blijven. Deze belangen zien op artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder hoefde daar in het kader van de huidige aanvraag niet aan te toetsen, omdat dit niet kan leiden tot afgifte van het gevraagde verblijfsdocument. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan de beoordeling daarvan. Als eiser verblijf op die grond wil, dan kan hij daartoe een nieuwe aanvraag indienen.
7. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 2 oktober 2020 gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, en mr. C. Karman en mr. M. den Heijer, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2017:354