ECLI:NL:RBDHA:2020:14499
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging wegens onvoldoende middelen
Op 23 mei 2019 diende de referent een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' voor haar echtgenoot, die in Turkije verblijft. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat niet was aangetoond dat de referent duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikt.
De referent had een arbeidsovereenkomst overgelegd, maar de Inspectie SZW stelde vast dat er onduidelijkheden en tegenstrijdigheden waren over haar dienstverband, werktijden en salarisadministratie. De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris terecht een concrete beoordeling had gemaakt en dat de referent onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij onder de gestelde condities werkzaam was.
De rechtbank verwierp het beroep onder verwijzing naar het arrest Chakroun van het Hof van Justitie van de EU, waarin een concrete individuele beoordeling vereist is. Ook het beroep op schending van de hoorplicht faalde omdat er geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag is ongegrond verklaard omdat de referent niet heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen te beschikken.