ECLI:NL:RBDHA:2020:14523
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen verwijderingsmaatregel wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Eiser, een Poolse burger, werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geconfronteerd met een besluit dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van het Unierecht, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit leidde tot een verwijderingsmaatregel die eiser aanvocht met beroep bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft omdat hij geen werk, onderdak of financiële middelen heeft en een zwervend bestaan leidt. Hoewel eiser nooit een beroep heeft gedaan op publieke middelen, is dat volgens jurisprudentie geen beletsel voor een verwijderingsmaatregel. De belangenafweging tussen het belang van eiser en de Nederlandse staat viel in het nadeel van eiser uit, mede vanwege zijn strafbare feiten en maatschappelijke overlast.
Eiser voerde aan dat de verwijderingsmaatregel onterecht is en dat het vrij verkeer van personen zwaarder weegt, maar de rechtbank verwierp deze stellingen. De rechtbank vond de motivering van verweerder voldoende en concludeerde dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wegens ontbreken rechtmatig verblijf wordt ongegrond verklaard.