ECLI:NL:RBDHA:2020:14525
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag EU/EER wegens onvoldoende aantonen zorg- en opvoedingstaken voor minderjarige zoon
Eiser, een Surinaamse staatsburger, verzocht om een verblijfsdocument als EU-gemeenschapsonderdaan voor verblijf in Nederland bij zijn minderjarige zoon. Verweerder wees de aanvraag en het bezwaar af omdat eiser onvoldoende aantoonde dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn zoon en dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat het kind gedwongen zou worden Nederland te verlaten bij weigering van verblijf.
Eiser stelde dat hij frequent contact heeft met zijn zoon, dat er een ouderschapsplan is en dat de moeder van het kind overbelast is, mede vanwege een beperking van het kind. Hij voerde ook een beroep in op artikel 8 EVRM Pro inzake het familieleven. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn stellingen onvoldoende met bewijs onderbouwde, zoals medische verklaringen of concrete uitvoering van het ouderschapsplan.
De rechtbank volgde de uitleg van het arrest Chavez-Vilchez en concludeerde dat verweerder terecht oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder Pro e van de Vreemdelingenwet 2000. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro kon niet leiden tot het gevraagde verblijfsdocument. De hoorplicht werd niet geschonden omdat het bezwaar geen aanleiding gaf tot een ander besluit.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel op 22 december 2020.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsaanvraag gehandhaafd.