ECLI:NL:RBDHA:2020:14683
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrea wegens onvoldoende identiteitsbewijs
Eiseres, met Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis, maar verweerder wees dit af wegens het niet aannemelijk maken van haar identiteit. Eiseres overhandigde diverse indicatieve documenten, waaronder een doopakte, vluchtelingenkaart en huwelijksakte, maar geen officiële identiteitsbewijzen. Verweerder nam geen bewijsnood aan omdat uit ambtsberichten bleek dat het verkrijgen van officiële documenten mogelijk was.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht een gedragslijn toepaste waarbij officiële documenten primair zijn en indicatieve documenten slechts substantieel bewijs moeten vormen om aanvullend onderzoek te rechtvaardigen. De doopakte werd door een deskundigenrapport als niet betrouwbaar beoordeeld, en andere documenten zoals de residence card en vluchtelingenkaart boden onvoldoende bewijs. De huwelijksakte, opgesteld na het bestreden besluit, kon niet meewegen.
Eiseres stelde dat verweerder een samenwerkingsplicht had en dat alle documenten in samenhang beoordeeld moesten worden, maar de rechtbank vond dat verweerder een individuele en zorgvuldige beoordeling had gemaakt conform jurisprudentie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf nareis Eritrea wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte identiteit.