ECLI:NL:RBDHA:2020:14723

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
19 mei 2021
Zaaknummer
NL20.17122
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel wegens internationale bescherming in Hongarije

Eiseres, van Syrische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland, nadat zij reeds internationale bescherming genoot in Hongarije. Haar eerdere aanvragen werden afgewezen op grond van het interstatelijke vertrouwensbeginsel, omdat zij in Hongarije bescherming geniet. De rechtbank bevestigt dat eiseres en haar kinderen internationale bescherming hebben in Hongarije.

Eiseres betoogde dat haar gezin als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt vanwege haar status als alleenstaande vrouw met jonge kinderen, de medische aandoening van haar zoon en de vijandige omgeving in Hongarije. De rechtbank oordeelt echter dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen, mede omdat de groeistoornis niet met stukken is onderbouwd en de situatie in Hongarije niet relevant is voor de beoordeling van bijzondere kwetsbaarheid.

De rechtbank concludeert dat de aanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard en het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.17122

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

Mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] ,V-nummer [V-nummer] ,
[minderjarige 2] ,V-nummer [V-nummer] , en
[minderjarige 3], V-nummer [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

ProcesverloopBij besluit van 17 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.17123, plaatsgevonden op 7 oktober 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is van Syrische nationaliteit. Zij is geboren op [1983] . Zij heeft eerder, op 17 november 2017, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, mede namens haar drie kinderen. Deze aanvraag is op 17 april 2018 afgewezen omdat eiseres sinds 8 november 2017 internationale bescherming in Hongarije geniet. De echtgenoot van eiseres heeft wel een verblijfsvergunning asiel ontvangen. Eiseres heeft nog twee keer een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf gedaan om bij haar echtgenoot te verblijven, de ene keer op basis van nareis, de andere op basis van familieleven. Deze aanvragen zijn allebei afgewezen. Eiseres is met haar kinderen naar Hongarije teruggegaan. Zij is uiteindelijk weer teruggekomen naar Nederland en heeft op 25 augustus 2020 nogmaals een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, mede namens haar drie kinderen. Verweerder heeft deze aanvraag wederom afgewezen.
2. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 op eiseres van toepassing is, omdat zij in Hongarije internationale bescherming geniet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat Hongarije zijn verdragsverplichtingen jegens haar en haar kinderen niet nakomt en dat daarom niet mag worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. In het geval
van dreigende of zich voordoende problemen kan zij de bescherming inroepen van de
(hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties in Hongarije. Niet is gebleken dat betrokkene voldoende inspanningen heeft verricht om de haar ter beschikking staande mogelijkheden te benutten teneinde haar situatie in Hongarije te verbeteren. Verder heeft verweerder nog overwogen dat niet is gebleken dat het gezin van eiseres bijzonder kwetsbaar is. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
3. De rechtbank overweegt allereerst dat niet ter discussie staat dat eiseres in Hongarije internationale bescherming geniet. Eiseres verzet zich in beroep slechts tegen het oordeel van verweerder dat haar gezin niet als bijzonder kwetsbaar moet worden gezien.
4. Volgens eiseres moet haar gezin als bijzonder kwetsbaar worden gezien omdat zij een alleenstaande vrouw met zeer jonge kinderen is, en gedwongen gescheiden leeft van haar echtgenoot. Daarnaast leidt haar zoon aan de groeistoornis dwerggroei. Bovendien wordt de bijzondere kwetsbaarheid versterkt door het gegeven dat eiseres zich samen met haar kinderen in een bijzonder vijandige omgeving in Hongarije staande moet houden. Zij heeft hier te maken met vreemdelingenhaat en ernstige discriminatie. Door deze bijzondere kwetsbaarheid rust er een onderzoeksplicht op verweerder om te onderzoeken of terugkeer naar Hongarije een veilige en verantwoorde optie is.
5. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat eiseres in Hongarije alleen voor haar kinderen zorgt, en dat haar kinderen van jonge leeftijd zijn, onvoldoende is om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen. [1] Deze omstandigheden leiden er op zichzelf immers niet toe dat zij zich niet staande kunnen houden en niet zelfstandig hun rechten kunnen effectueren in Hongarije. Zij lopen om die reden niet het reële risico om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen. De gestelde groeistoornis van de zoon van eiseres is niet met stukken onderbouwd. Bovendien heeft eiseres niet aangetoond dat hij behandeling nodig heeft en dat deze behandeling in Hongarije niet beschikbaar is. De aangedragen omstandigheden in Hongarije kunnen bij de vraag of er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid geen rol spelen. Het gaat bij bijzondere kwetsbaarheid namelijk om de vraag in hoeverre een vreemdeling zich zelfstandig kan redden en afhankelijk is van de overheid. Voor deze vraag zijn de door eiseres gestelde omstandigheden in Hongarije niet van belang. Als deze bijzondere kwetsbaarheid is vastgesteld, bestaat er voor verweerder een plicht om nader te motiveren waarom dit niet leidt tot een schending van artikel 3 van Pro het Europese verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. [2] Van deze verplichting is in het geval van eiseres echter geen sprake. Verweerder heeft dan ook deugdelijk gemotiveerd dat het gezin van eiseres niet bijzonder kwetsbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1102).
2.ABRvS 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1088).