ECLI:NL:RBDHA:2020:14818
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring aanvraag verblijfsvergunning asiel afgewezen
Eiser, van Poolse nationaliteit, diende op 2 juli 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder verklaarde deze aanvraag op 12 augustus 2020 niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser geen zienswijze had ingediend.
Eiser stelde dat hij geen mogelijkheid had gekregen om met zijn gemachtigde te overleggen vanwege coronamaatregelen in het detentiecentrum Rotterdam en dat verweerder niet had gereageerd op zijn verzoek om uitstel. Verweerder stelde dat hij wel had gereageerd en een videoverbinding had aangeboden om overleg mogelijk te maken.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de gemachtigde van eiser op 7 augustus 2020 telefonisch had benaderd en een videoverbinding had voorgesteld. Eiser had geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit terecht is genomen en dat eiser niet in zijn belangen is geschaad.
Omdat eiser geen inhoudelijke gronden tegen het besluit had ingediend, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.