ECLI:NL:RVS:2020:991
Raad van State
- Hoger beroep
- B.J. van Ettekoven
- N. Verheij
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op horen vreemdeling tijdens coronamaatregelen in vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd in bewaring gesteld met het oog op uitzetting naar Marokko en stelde beroep in tegen deze maatregel. Door de uitbraak van het coronavirus werden zittingen van de rechtbank gesloten en kon de vreemdeling niet persoonlijk worden gehoord. De rechtbank besloot de zaak schriftelijk af te doen zonder de vreemdeling te horen, wat tot het hoger beroep leidde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het recht om gehoord te worden een fundamenteel recht is, maar niet absoluut. Door de uitzonderlijke omstandigheden van de coronapandemie en de sluiting van rechtbankgebouwen waren de wettelijke mogelijkheden om te horen (fysieke zitting of videoconferentie) niet haalbaar. De rechtbank mocht daarom besluiten de zaak schriftelijk af te doen, mits dit een individuele belangenafweging betrof en compensatie werd geboden, zoals het horen van de gemachtigde en het bieden van overlegmogelijkheden.
In deze zaak was de motivering van de rechtbank niet volledig in overeenstemming met het kader, maar gezien de korte periode na sluiting van de rechtbank en de onduidelijkheid over de duur van de maatregelen was dit begrijpelijk. De klacht van de vreemdeling faalde, mede omdat hij geen relevante beroepsgronden over de mogelijkheden tot uitzetting had aangevoerd.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd ondanks het niet persoonlijk horen van de vreemdeling vanwege de coronamaatregelen.