ECLI:NL:RBDHA:2020:15021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 oktober 2020
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
NL20.2833
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens samenhangende asielaanvragen en reeds vastgestelde dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank overweegt dat eiser en zijn echtgenote gelijktijdig hun asielaanvragen hebben ingediend, die als samenhangend worden beschouwd. In een eerdere uitspraak betreffende de echtgenote is een dwangsom vastgesteld en een termijn gegeven voor besluitvorming.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt bepaald dat bij samenhangende aanvragen slechts één dwangsom kan worden toegekend. Omdat de dwangsom reeds is vastgesteld in de zaak van de echtgenote, bestaat geen grond voor een nieuwe dwangsom in deze procedure.

Hierdoor vervalt het procesbelang van eiser bij dit beroep en verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen en zal worden uitgesproken zodra dat weer mogelijk is.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de dwangsom reeds in een samenhangende zaak is vastgesteld.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.2833
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: A. Schut).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb beroep kan worden ingesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. Uit de stukken in het dossier blijkt dat eiser en zijn echtgenote gelijktijdig hun asielaanvragen hebben ingediend.1 In de uitspraak van 3 juli 2020 van deze rechtbank zittingsplaats, Utrecht met zaaknummer NL20.2832, heeft de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag, van de echtgenote van eiser, gegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat door verweerder een dwangsom van € 1.442,- is verbeurd en is aan verweerder een termijn gegeven van twee weken om te beslissen op de aanvraag van de echtgenote. In deze procedure is door verweerder een verzetschrift ingediend.
1. Processtuk 11, Verslag gehoor aanmeldfase, bladzijde 8
4. De rechtbank overweegt het volgende. In het geval dat de aanvragen gelijktijdig zijn gedaan en zodanig met elkaar samenhangen dan is er in feite sprake van één aanvraag. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) van 15 juli 2020.2 In het geval van eiser en zijn echtgenote gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake is van een samenhang tussen hun asielaanvragen. Eisers hebben namelijk tegelijkertijd een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Er is door eisers niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake zou zijn van samenhang. De rechtbank oordeelt daarom dat er sprake is van samenhang en dat in feite sprake is van één aanvraag die moet worden beoordeeld, zodat er ook maar keer één dwangsom door verweerder moet worden betaald. Dit geldt tevens voor een eventuele opgelegde rechterlijke dwangsom.3
5. De hoogte van de wettelijke dwangsom is al vastgesteld in de hiervoor genoemde uitspraak van 3 juli 2020 terzake het beroep van de echtgenote van eiser en er is een beslistermijn gegeven van twee weken onder het verbeuren van een rechterlijke dwangsom bij overschrijding daarvan. In lijn met de voornoemde uitspraken van de ABRvS hoeft verweerder de dwangsommen, mits verbeurd of nog te verbeuren, maar eenmalig uit te keren aan eiser gezamenlijk en niet aan ieder van hen afzonderlijk. Er bestaat dan ook geen grond meer om een wettelijke dwangsom, of een rechterlijke dwangsom aan verweerder op te leggen. Daarmee komt het procesbelang van eiser te vervallen en zal de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
3 ABRvS 3 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3934)
De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:
15 oktober 2020

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.