Eiser diende op 12 november 2019 een aanvraag in voor een voorrangsverklaring, welke bij besluit van 17 december 2019 werd afgewezen door verweerder. Eiser maakte op 7 februari 2020 bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 6 maart 2020 niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. Eiser reageerde niet op een verzoek van verweerder om de reden van de te late indiening toe te lichten.
De rechtbank overwoog dat de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken bedraagt en dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het besluit op het juiste adres is ontvangen. Hoewel het primaire besluit ongedateerd was, was het gericht aan eiser en per post verzonden zonder aangetekende verzending. Verweerder kon aannemelijk maken dat een brief aan de gemachtigde van eiser op 17 februari 2020 was verzonden, en er waren geen aanwijzingen voor problemen bij de postbezorging.
De rechtbank vond dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard en dat er geen omstandigheden waren die een uitzondering rechtvaardigden. Het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.