ECLI:NL:RBDHA:2020:15167

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2020
Publicatiedatum
1 oktober 2021
Zaaknummer
NL20.20946
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5 SchengengrenscodeArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens niet-reguliere binnenkomst en weigering terugkeer

Eiser, een vreemdeling met de Albanese nationaliteit, werd op 6 december 2020 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat het voortraject van de bewaring niet ter toetsing stond, en dat eiser op zijn rechten was gewezen in de Albanese taal met behulp van een tolk.

Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser betwistte alleen de grond dat hij zich niet aan de voorgeschreven wijze van binnenkomst had gehouden, stellende dat hij zich nog in zijn vrije termijn bevond. De rechtbank concludeerde dat eiser illegaal wilde uitreizen naar het Verenigd Koninkrijk en daardoor geen recht had op een vrije termijn of circulatierecht.

Daarnaast stelde eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat andere personen in dezelfde situatie alleen een terugkeerbesluit hadden gekregen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had geoordeeld dat geen lichter middel effectief was, mede omdat eiser had verklaard niet terug te willen keren naar Albanië. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.20946
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Voorafgaand aan dit besluit zat eiser in bewaring op grond van artikel 59b Vw.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer N. Rexhepi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Albanese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [2001] .
Voortraject
2. Allereerst voert eiser aan dat er zich een gebrek heeft voorgedaan in het
voortraject. In het M105 formulier ‘Proces-verbaal
staandehouding/overbrenging/ophouding’ van 5 december 2020 staat namelijk aangekruist dat mededelingen aan eiser zijn gedaan in ‘de Nederlandse taal welke door de vreemdeling in voldoende mate beheerst wordt’. Uit de rest van het dossier blijkt echter dat eiser de Nederlandse taal niet spreekt en dus niet op zijn rechten is gewezen in een taal die hij machtig is.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht stelt dat het voortraject hoort bij de eerste maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vw. Het bestreden besluit in deze zaak is de maatregel die op grond van artikel 59 eerste Pro lid, aanhef en onder a, van de Vw is opgelegd. Het voortraject ligt hier dus niet ter toetsing voor. Zelfs indien het voortraject hier wel ter toetsing zou voorliggen dan verwijst verweerder terecht naar het op ambtseed opgemaakte ‘proces-verbaal van bevindingen’ dat in het dossier is opgenomen. Hieruit blijkt dat eiser op zijn rechten is gewezen in de Albanese taal met behulp van een tolk. De beroepsgrond daarom slaagt niet.
De bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser alleen grond 3a betwist. Eiser voert in dat kader aan dat hij zich nog in zijn vrije termijn bevond, omdat hij nog geen drie maanden in Europa was.
6. De rechtbank overweegt dat eiser is aangetroffen in een bestelbus bij de uitreis controle van het schip [schip] naar het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast heeft eiser in zijn gehoor voor de inbewaringstelling op 6 december 2020 verklaard dat hij op illegale wijze wilde uitreizen naar het Verenigd Koninkrijk. Gezien deze situatie voldeed eiser niet aan artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode, om de buitengrenzen slechts via grensdoorlaatposten te overschrijden. Anders dan hij betoogt, had eiser daarom geen vrije termijn en kon eiser geen gebruik maken van zijn circulatierecht.3 Eiser heeft zich ook niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Eiser is daarom niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen en grond 3a is dus terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. De overige gronden zijn niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3 Zie in dit kader de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) van 17 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1911) en de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 3 september 2020 (ECLI:NL:RBOBR:2020:4266).
7. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel en hem de mogelijkheid had moeten bieden om zelfstandig te vertrekken. Hij stelt dat de andere personen die zijn aangetroffen in de bestelbus alleen een terugkeerbesluit opgelegd hebben gekregen en aan hen wel de mogelijkheid is geboden om zelfstandig Nederland te verlaten.
8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.4
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen ander lichter middel dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft zowel bij het gehoor van de inbewaringstelling als bij het intrekken van zijn asielverzoek verklaard niet terug te willen naar Albanië. De stelling van eiser dat de andere personen die zijn aangetroffen in de bestelbus alleen een terugkeerbesluit hebben opgelegd gekregen is verder niet onderbouwd en bovendien dient er bij de beoordeling van het lichter middel een individuele belangenafweging plaats te vinden. Wat verweerder ten aanzien van andere vreemdelingen besluit is hier dus niet relevant. Er zijn verder geen andere omstandigheden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
4 De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraken van de RvS van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 december 2020

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.