ECLI:NL:RBDHA:2020:199
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument wegens onvoldoende bewijs materiële afhankelijkheid
Eiseres, een alleenstaande vrouw met de Maleisische nationaliteit, vroeg om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat zij materieel afhankelijk was van haar referent, een Unieburger met de Britse nationaliteit.
Eiseres stelde dat zij sinds haar pensioen volledig afhankelijk is van materiële steun van haar referent en overhandigde bankafschriften waaruit blijkt dat zij geld ontvangt. De rechtbank oordeelde echter dat dit niet voldoende bewijs is om aan te tonen dat de materiële steun noodzakelijk is om in haar basisbehoeften te voorzien, mede omdat eiseres haar economische en sociale toestand in Maleisië onvoldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het HvJ EU en de Afdeling bestuursrechtspraak, waarin is bepaald dat de noodzaak van materiële steun moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie in het land van herkomst. Ook de stelling dat de hoorplicht is geschonden werd verworpen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank concludeerde dat eiseres niet kan worden aangemerkt als familielid dat ten laste komt van een Unieburger en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van materiële afhankelijkheid.