Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2020 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse staatsburger, werd in 2017 veroordeeld tot 11 jaar en 10 maanden gevangenisstraf wegens doodslag op zijn echtgenote en het plegen van pogingen om het lichaam te verbergen. Op grond hiervan heeft de staatssecretaris in februari 2019 het verblijfsrecht van eiser ingetrokken en hem ongewenst verklaard vanwege zijn gedrag dat een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom zijn gedrag een actuele bedreiging vormt en dat het niet aan hem is om aan te tonen dat hij niet opnieuw strafbare feiten zal plegen. Ook stelde hij dat de hoorplicht was geschonden en dat het beleid onjuist was toegepast. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het gedrag van eiser, waaronder de ernst van het misdrijf en de hoge straf, heeft betrokken in de besluitvorming.
De rechtbank vond dat de gedragingen van eiser, ook na detentie en ondanks het volgen van cursussen, onvoldoende aanwijzingen geven voor gedragsverandering en dat het risico op recidive niet kan worden uitgesloten. De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat het besluit niet in strijd is met het EVRM, mede omdat eiser geen familie in Nederland heeft en geringe binding met Nederland heeft.
De rechtbank stelde dat het horen van eiser kon worden achterwege gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking verblijfsrecht en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.