ECLI:NL:RVS:2017:1410
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak en ongegrondverklaring beroep tegen ongewenstverklaring gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris heeft bij besluit van 6 januari 2016 vastgesteld dat de vreemdeling, een Poolse gemeenschapsonderdaan, geen verblijfsrecht meer heeft in Nederland en hem ongewenst verklaard. Dit besluit is gehandhaafd bij besluit van 17 maart 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten niet-ontvankelijk omdat hij geen belang meer zou hebben, nu hij strafonderbreking had geaccepteerd en Nederland had verlaten.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling gaf en dat hij niet was gewezen op het verlies van rechtsmiddelen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de vreemdeling wel degelijk belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling, omdat de niet-ontvankelijkverklaring het besluit onherroepelijk maakt en toekomstige besluitvorming kan beïnvloeden.
De Afdeling toetst vervolgens het besluit van 17 maart 2016 inhoudelijk. De staatssecretaris baseert de ongewenstverklaring op een onherroepelijke veroordeling wegens medeplegen van diefstal met geweld, waarbij de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. Ondanks strafonderbreking en goed gedrag in detentie, is het gepleegde misdrijf ernstig en is er onvoldoende bewijs van gedragsverbetering.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep inhoudelijk ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.