ECLI:NL:RBDHA:2020:2210
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis pleegkinderen wegens onvoldoende identiteitsbewijs
Eisers, geboren in de Democratische Republiek Congo, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De aanvraag was ingediend door hun gestelde oom, die hen als pleegkinderen beschouwt en als uitgenodigde vluchteling in Nederland verblijft.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eisers hun identiteit en die van hun biologische ouders niet aannemelijk hadden gemaakt, er geen toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder was overgelegd en niet was aangetoond dat de referent voogdij had of dat eisers deel uitmaakten van zijn gezin. Eisers stelden dat zij voldoende documenten hadden overgelegd, waaronder overlijdensakte van hun vader, en dat zij ten onrechte niet waren gehoord.
De rechtbank stelde vast dat het bezwaarschrift te laat was ingediend maar besloot het beroep inhoudelijk te behandelen. De rechtbank oordeelde dat eisers geen officiële documenten hadden overgelegd die hun identiteit en die van hun biologische ouders konden aantonen. De overgelegde onofficiële documenten waren onvoldoende, en de overlijdensakte riep vragen op. De hoorplicht was niet geschonden omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de aanvraag af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en voogdij.