ECLI:NL:RBDHA:2020:2237
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep vennootschapsbelastingvrijstelling en verliesbeschikking stichting
De stichting, opgericht in 2015 en actief in de rechtspraktijk, diende aangiften vennootschapsbelasting in voor 2015 en 2016 met respectievelijk een belastbaar bedrag van €43.702 en een verlies van €40.763. Verweerder stelde de aanslag 2015 vast op €43.702 en het verlies over 2016 op nihil, op grond van artikel 6 van Pro de Wet Vpb.
De rechtbank volgt het oordeel van het Hof Arnhem-Leeuwarden dat de stichting niet voldoet aan de eerste winstgrens (€15.000) voor vrijstelling in 2015 en ook niet aan de tweede winstgrens van €75.000 over vijf jaren, omdat zij nog geen vijf jaar bestaat. De pro rata-benadering biedt geen uitkomst omdat ook dan de winstgrens wordt overschreden.
Voor 2016 is het beroep eveneens ongegrond omdat het verzoek om niet van de vennootschapsbelasting vrijgesteld te zijn niet tijdig is ingediend. Het enkel vermelden van verlies in de aangifte geldt niet als een dergelijk verzoek. Het latere besluit dat de termijn verruimt kan niet tegen verweerder worden ingeroepen.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van schending van beginselen van behoorlijk bestuur en dat het niet indienen van het verzoek voor eigen risico is. De beroepen worden ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De beroepen van de stichting tegen de aanslagen vennootschapsbelasting 2015 en 2016 worden ongegrond verklaard.