Conclusie
1.Inleiding
pro rata temporistoepassing van het tweede plafond in art. 6(1) Wet Vpb.
Pro rata temporistoepassing kan bovendien tot concurrentieverstoring leiden. De Rechtbank acht € 75.000 daarom een absolute grens, ook als het lichaam nog geen vijf jaren bestaat; dat past bij het doel van de regeling om stichtingen en verenigen met winsten van bijkomstige betekenis niet in de heffing te betrekken en is tekstueel verdedigbaar.
gemiddeldbeneden € 15.000 blijft. Bij een lichaam dat minder dan vijf jaren bestaat, kan dat niet worden vastgesteld. Het beleidsbesluit van 19 september 2018 [1] komt daarom, in afwijking van de wettekst, lichamen tegemoet die nog geen vijf jaar bestaan, met een
pro rata temporisregeling. Dat baat de belanghebbende echter niet omdat haar totale winst ook een naar tijdgelang berekend tweede plafond (3/5e van 75.000 is € 45.000) overschrijdt omdat zij gedurende haar bestaan gemiddeld meer dan € 15.000 winst per jaar heeft gemaakt. De belanghebbende voldoet aldus noch aan art. 6(1) Wet Vpb, noch aan de voorwaarden van de tijdgelang-tegemoetkoming. Het Hof heeft ook het beroep op het rechtzekerheidsbeginsel verworpen.
of(ii) de winst ‘van het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen’ niet meer bedraagt dan € 75.000. Een ‘jaar’ is volgens art. 7(4) Wet Vpb een ‘boekjaar’, tenzij ‘de belastingplichtige’ niet geregeld boekhoudt met jaarlijkse afsluiting, in welk geval het om een ‘kalenderjaar’ gaat. Deze interactie tussen art. 6(1) en art. 7(4) wet Vpb leidt niet tot eenduidige betekenis van de term ‘het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen’ in art. 6(1). Betoogd kan worden dat een lichaam vijf verstreken
boekjaren moet hebben om zich op het tweede plafond te kunnen beroepen, dus al vijf jaar een onderneming moet drijven, maar ook dat de referentieperiode bestaat uit de laatste vijf
historische kalenderjaren, met name als het lichaam al wel vijf jaar bestaat, maar pas korter een onderneming drijft die noopt tot ‘geregelde boekhouding met jaarlijkse afsluiting’, en tenslotte ook dat het lichaam weliswaar vijf boekjaren moet volmaken, maar dat die nog niet verstreken hoeven te zijn, dus dat de winstontwikkeling van het lichaam vijf jaar gevolgd moet worden. Duidelijk is dat er geen ‘geregelde’ boekhouding is als er geen lichaam is. Mogelijk is er evenmin een geregelde boekhouding als er al wel een lichaam is, maar het (nog) geen onderneming drijft. In deze gevallen zou het dan om verstreken
kalenderjaren gaan
tothet jaar waarin het lichaam de onderneming start, en daarna om
boekjaren, maar alleen als geregeld boek wordt gehouden, en als dat niet zo is, nog steeds om
kalenderjaren. Als er geen lichaam is, of een lichaam dat (nog) geen onderneming drijft, is er trouwens ook geen ‘belastingplichtige’, zoals art. 7(4) wel veronderstelt, zodat een adressaat van art. 7 ontbreekt Pro en ‘jaren’ in art. 6 Wet Pro Vpb de woordenboekbetekenis zou hebben. Ook als het lichaam wél meteen een onderneming drijft, is er overigens geen ‘belastingplichtige’ als hij - door art. 6(1) - subjectief wordt vrijgesteld. Grammaticale uitleg van (de interactie tussen) art. 6(1) en art. 7(4) Wet Vpb lijkt er dus toe te leiden dat een lichaam, om subjectief vrijgesteld te zijn, juist ‘belastingplichtig’ moet zijn, c.q. dat het om historische kalenderjaren gaat tenzij er geregeld wordt boekgehouden, in welk geval het om boekjaren zou gaan. Geen van beide resultaten komt mij erg zinnig voor.
BNB2013/247, over een nog niet volgemaakte vijfjaarstermijn in de Wet LB, (iii) het ontbreken van enige aanduiding hoe de wetgever de toepassing van zijn tweede winstplafond voor zich zag bij lichamen die korter dan vijf jaar bestaan c.q. ondernemen, meen ik dat de uitleg van het tweede plafond bepaald wordt door doel en strekking van de vrijstelling, met name die van het tweede winstplafond, zoals die kunnen worden afgeleid uit de parlementaire en wetsgeschiedenis van art. 6(1) Wet Vpb; die uitleg naar doel en strekking moet verenigbaar zijn met de wettekst.
vrijstellingheeft volgens die geschiedenis tot doel (i) stichtingen en verenigingen met bescheiden commerciële activiteiten niet te ontmoedigen (en vanaf 2012: aan te moedigen) tot cultureel ondernemerschap door hen te vrijwaren van de onevenredige administratieve en financiële lasten verbonden aan belasting- en aangifteplicht voor de vennootschaps-belasting bij bescheiden winsten, en tegelijk (ii) concurrentieverstoring in de verhouding tot Vpb-plichtige rechtsvormen te vermijden. Het alternatieve
tweede winstplafondstrekt er volgens die geschiedenis toe om incidentele uitschieters te absorberen: om te voorkomen dat de vrijstelling vervalt als de winst in een jaar door incidentele oorzaak boven het jaarplafond van € 15.000 uitkomt, maar de totale winst over vijf jaar € 75.000 niet overschrijdt.
pro rata temporisuitleg van de Staatssecretaris in zijn beleidsbesluit stroken daarmee mijns inziens niet. Een incidentele uitschieter in jaar 1 of 2 of 3 kan in die benaderingen immers niet, nauwelijks of moeilijk geabsorbeerd worden, waardoor een vereniging of stichting die beantwoordt aan hetgeen de wetgever voor ogen stond (bijvoorbeeld één die € 17.000 winst maakt in jaar 1 en in de vier jaren daarna niet boven de € 5.000 per jaar komt), toch - meteen - geconfronteerd kan worden met hetgeen hij juist wilde voorkomen, nl. de financiële en administratieve lasten van aangifte- en belastingplicht.
Ofde overschrijding van € 15.000 winst incidenteel is, valt immers in jaar 1 niet vast te stellen en in jaar 2 of jaar 3 wellicht evenmin; juist daarom heeft de wetgever vijf jaren genomen.
ondernemingsjaren (als zij in 2013 en 2014 winsten à € 15.000 behaalt), toch in alle jaren vrijgesteld zou zijn. Dat is onverenigbaar met de kwantitatieve oneerlijke-concurrentiecriteria van de wetgever. Op grond van zowel de wettekst (‘het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen’) als doel en strekking van de regeling moet belanghebbendes winstontwikkeling mijns inziens vijf
ondernemingsjaren gevolgd worden.
ondernemingsjaren zijn volgemaakt, of tot het eerdere moment waarop het tweede plafond wordt overschreden.
mitsvijf ondernemingsjaren worden volgemaakt. Komt de totale winst binnen vijf ondernemingsjaren boven € 75.000, dan wordt alsnog geheven, zo nodig door navordering (want die overschrijding is mijns inziens een nieuw feit in de zin van art. 16 AWR Pro), over de gehele jaarwinst van eerdere jaren waarin de € 15.000 werd overschreden. Wordt de onderneming binnen 5 jaar gestaakt of overgedragen, dan is het 2e plafond irrelevant omdat geen vijf ondernemingsjaren worden volgemaakt en wordt (alsnog) geheven over de jaren waarin de jaarwinst hoger was dan € 15.000. Bij deze uitleg (i) worden kleinschalig ondernemende stichtingen en verenigingen niet ontmoedigd door aangifte- en belastingplichten bij bescheiden winst, ook niet als ze beginnen met een incidenteel goed jaar, (ii) wordt tegelijk concurrentie met belastingplichtige rechtsvormen beperkt tot volgens de wetgever verwaarloosbare omvang en (iii) leidt een incidentele uitschieter, conform de bedoeling van de wetgever, niet tot aangifte- en belastingplicht.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
de minimis-vrijstelling in art. 6(1) Wet Vpb voor lichamen met bescheiden winsten. In het bijzonder is in geschil hoe het tweede winstplafond in art. 6(1) Wet Vpb (in totaal niet meer dan € 75.000 belastbare winst in de laatste vijf jaren) moet worden toegepast als het lichaam nog geen vijf jaren bestaat c.q. nog geen vijf jaren onderneemt. De Inspecteur heeft belanghebbendes bezwaren afgewezen.
NTFR2018/2670) vond het argument dat
pro rata temporistoepassing van het tweede plafond (één vijfde van € 75.000 per bestaansjaar) tot concurrentieverstoring kan leiden verwarrend omdat zijns inziens concurrentieverstoring ook kan optreden als een lichaam dat kort bestaat gemiddeld een hogere winst kan realiseren dan een lichaam dat al vijf jaren bestaat. Dat neemt niet weg dat volgens hem al door Hemels is gesignaleerd (zie 6.9 hieronder) dat ook de
pro rata temporisbenadering tot onredelijke uitkomsten kan leiden.
pro ratabeleidsregel van de Staatssecretaris:
NLF2020/0359) acht de wettekst duidelijk, maar leest er het tegendeel in van hetgeen het Hof erin leest: de tekst eist niet dat het lichaam gedurende de hele referentieperiode moet hebben bestaan, maar slechts dat wordt getoetst of de winst over de jaren 2008 t/m 2012 meer bedraagt dan € 75.000, hetgeen niet het geval is. Daaraan doet zijns inziens niet af dat de belanghebbende in 2008 en het grootste deel van 2009 nog niet bestond. De parlementaire geschiedenis steunt volgens hem eerder de opvatting dat het gaat om winstaggregatie in de vijfjaarsreferentieperiode en niet om een gemiddeld winstplafond. De Hofuitspraak leidt zijns inziens tot onevenwichtige resultaten omdat die verschillen doet ontstaan tussen een lichaam dat al wat langer bestaat maar pas in de loop van de tijd ondernemingsactiviteiten gaat uitoefenen en een lichaam dat direct na oprichting met ondernemingsactiviteiten begint, hetgeen volgens hem onderstreept dat de datum van oprichting irrelevant zou moeten zijn voor de toepassing van de vrijstelling.
NTFR2020/601) lijkt de Rechtbank uit te gaan van geschiedkundige jaren en het Hof van boekjaren. Hij prefereert ’s Hofs opvatting omdat ‘jaar’ in art. 6 Wet Pro Vpb volgens art. 7(4) Wet Vpb ‘boekjaar’ betekent. Als een lichaam niet gered wordt door het tweede winstplafond omdat daarvoor vijf boekjaren nodig zijn en dit tot onredelijke uitkomsten leidt, kan de wetgever ingrijpen, kan de hardheidsclausule worden ingeroepen of kan de Staatssecretaris anderszins een tegemoetkoming verlenen, zoals bij het
pro rataBesluit van 19 september 2019. Westerman wijst echter ook op het arrest HR
BNB2013/247, [5] gewezen voor de loonbelasting, dat belanghebbendes standpunt steunt. Hij bepleit overeenkomstige toepassing van dat arrest, meebrengende dat voor de referentieperiode ook de voorafgaande jaren meetellen waarin de belanghebbende nog niet bestond:
3.Het geding in cassatie
gemiddeldonder de € 15.000 per jaar blijft, behoudt dat lichaam recht op de vrijstelling. [6]
NLF2020/0359 herhaalt zij haar standpunt dat een bestaansduur van minder dan vijf jaar geen invloed behoort te hebben op de toepasbaarheid van de vrijstelling. Zij betwist op zichzelf niet de door de Staatssecretaris weergegeven bedoeling van de wetgever bij de invoering van de vrijstelling, maar meent dat zij juist onder die ratio voor de vrijstelling valt.
4.De wet en de interpretatieve beleidsregel
pro rata temporisbeleidsbesluit van 19 september 2018 voor verenigingen en stichtingen die nog geen vijf jaar ondernemen, luidt als volgt, voor zover hier van belang: [8]
De subjectieve vrijstelling tot 2012: maatschappelijk belang en liefdewerk oud papier
6.De subjectieve vrijstelling vanaf 1 januari 2012; ‘cultureel ondernemerschap’
3.2.2. Stimulering cultureel ondernemerschap
level playing fieldniet ‘te ernstig’ verstoort: [26]
level playing fieldongerechtvaardigd wordt verstoord. [31]
pro rata temporis(voor 1/5e per jaar) aan de bestaansperiode moet worden toegerekend, dus: na twee jaar € 30.000; na drie jaar € 45.000, en zo voort. U zie de voorbeelden, geciteerd in 4.3. Volgens de redactie van
V-N2018/57.7 had de Staatssecretaris dit standpunt beter op doel en strekking van de wet kunnen baseren dan op redelijke wetstoepassing. Het zwakkere argument van redelijke wetstoepassing nodigt haars inziens uit om op basis van de wettekst in het geval van voorbeeld 4 van het Besluit (winst jaar 1 € 10.000; jaar 2 € 18.000 en jaar 3 € 21.000) wel degelijk de vrijstelling in te roepen omdat de totale winst over alle jaren (€ 49.000) beneden € 75.000 blijft. Zij acht de kans op succes van dat beroep wel klein.
pro rata temporistoerekening van het tweede winstplafond bij perioden korter dan vijf jaar (€ 15.000 per ondernemingsjaar) en wijzen op de uitspraak van de Rechtbank in onze zaak. Bruijsten en Elsweier [34] zien voor
pro rata temporistoerekening van het tweede plafond aan jaren geen basis in de wet of de parlementaire geschiedenis; zij achten even verdedigbaar dat een lichaam is vrijgesteld als het korter dan vijf jaar een onderneming drijft en sinds de start van de onderneming beneden een totaal ad € 75.000 is gebleven. Ook Hemels [35] betwijfelt of
pro rata temporistoerekening van het tweede winstplafond de wet redelijk uitlegt: zij vindt het vreemd dat als in jaar 1 € 16.000 winst wordt gemaakt en in jaar 2 € 27.000, maar in de jaren 3 t/m 5 slechts € 1.000, toch volledig geheven wordt in de jaren 1 en 2. Volgens haar behoort de oprichtingsdatum irrelevant te zijn voor de toepassing van de vrijstelling van art. 6 Wet Pro Vpb. Bresser [36] daarentegen acht tijdsevenredige toerekening van het tweede winstplafond aan de bestaansperiode van het lichaam een alleszins verdedigbare uitleg van de wettekst.
7.Rechtspraak
BNB2013/247 [38] betrof art. 11(1)(n) Wet op de loonbelasting (Wet LB). Die bepaling luidde in het geschiljaar als volgt:
8.Toepassing tweede winstplafond ex art. 6(1) Wet Vpb bij starters (middel (i))
dan wel(ii) de winst ‘van het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen’ € 75.000 niet overschrijdt. Een ‘jaar’ is ex art. 7(4) Wet Vpb een ‘boekjaar’, tenzij ‘de belastingplichtige’ niet geregeld boekhoudt met jaarlijkse afsluiting, in welk geval het om een ‘kalenderjaar’ gaat. Deze interactie tussen art. 6(1) en art. 7(4) wet Vpb leidt niet tot eenduidige betekenis van de term ‘het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen’ in art. 6(1). Betoogd kan worden dat een lichaam vijf verstreken
boekjaren moet hebben om zich op het tweede plafond te kunnen beroepen, dus al vijf jaar een onderneming moet drijven, maar ook dat de referentieperiode bestaat uit de laatste vijf historische
kalenderjaren, en tenslotte ook, mede gezien HR
BNB2013/247 (zie 7.2 hierboven), dat het gaat om de periode tussen de oprichting van het lichaam en het te beoordelen jaar als het lichaam nog geen vijf jaar bestaat of nog geen vijf jaar een onderneming drijft die noopt tot ‘geregelde boekhouding met jaarlijkse afsluiting’, maar dat wel vijf ondernemingsjaren volgemaakt moeten worden, dus dat de winstontwikkeling van het lichaam vijf jaar gevolgd moet worden.
tothet jaar waarin de onderneming start om historische kalenderjaren gaan en daarna om fiscale boekjaren mits geregeld boek wordt gehouden, maar als dat niet zo is nog steeds om historische kalenderjaren. Als er geen lichaam is, of als er al wel een lichaam is, maar het (nog) geen onderneming drijft, is er trouwens geen ‘belastingplichtige’ in de zin van art. 7(4) Wet Vpb, dus ook geen adressaat van art. 7 Wet Pro Vpb, zodat ‘jaren’ in art. 6 Wet Pro Vpb dan de woordenboekbetekenis zou hebben. Ook als het lichaam al wel een onderneming drijft, is er overigens nog steeds geen ‘belastingplichtige’ als dat lichaam - door art. 6(1) Wet Vpb - subjectief wordt vrijgesteld. Grammaticale uitleg van (de interactie tussen) art. 6(1) Wet Vpb en art. 7(4) Wet Vpb leidt aldus tot weinig zinnige resultaten: (i) een lichaam moet, om ex art. 6 Wet Pro Vpb subjectief vrijgesteld te kunnen worden, juist ‘belastingplichtig’ zijn ex art. 7 Wet Pro Vpb, en (ii) in art. 6 Wet Pro Vpb gaat het door de interactie met art. 7 Wet Pro Vpb om historische kalenderjaren, behalve als het lichaam geregeld boekhoudt, in welk geval het om fiscale boekjaren gaat. Geen van beide resultaten komt mij in de context van de vrijstelling van art. 6 Wet Pro Vpb erg zinnig voor.
BNB2013/247 (zie 7.2 hierboven) oordeelde u dat als een werknemersfonds nog geen vijf jaar bestaat, de term ‘gedurende de laatstverlopen vijf kalenderjaren’ in art. 11(1)(n) Wet LB betekent: ‘tussen de oprichting van het fonds en het kalenderjaar waarin de uitkering plaatsvindt.’ Dat art. 11(1) Wet LB verwijst naar ‘kalenderjaren’ en art. 6 Wet Pro Vpb naar ‘jaren’ lijkt mij, gezien het in 8.5 en 8.6 opgemerkte, niet wezenlijk in het licht van de kennelijk vergelijkbare ratio’s van beide vijfjaarsreferentieperioden (het mede om doelmatigheids-redenen absorberen van incidentele overschrijdingen).
BNB2013/247 en (iii) het ontbreken van enige aanduiding hoe de wetgever de toepassing van zijn tweede winstplafond voor zich zag bij lichamen die korter dan vijf jaar bestaan c.q. ondernemen, meen ik dat de uitleg van het tweede plafond bepaald wordt door doel en strekking van de vrijstelling, met name die van het tweede winstplafond, zoals die kunnen worden afgeleid uit de parlementaire en wetsgeschiedenis van art. 6(1) Wet Vpb; die uitleg moet verenigbaar zijn met de wettekst. Uit de parlementaire en wetsgeschiedenis van art. 6 Wet Pro Vpb (zie 5.1, 5.3, 5.6, 6.1, 6.2, 6.3, 6.4, en 6.5 hierboven) volgt dat de wetgever drie doelen wilde bereiken: de
vrijstellingheeft als doel (i) stichtingen en verenigingen met bijkomstige commerciële activiteiten niet te ontmoedigen (vanaf 2012: aan te moedigen) tot cultureel ondernemerschap door hen te vrijwaren van onevenredige administratieve en financiële lasten verbonden aan belasting- en aangifteplicht bij bescheiden winsten, en tegelijkertijd (ii) concurrentieverstoring in de verhouding tot Vpb-plichtige rechtsvormen te vermijden. Het alternatieve
tweede winstplafondstrekt er volgens die geschiedenis toe (iii) om incidentele overschrijdingen te absorberen: om te voorkomen dat de vrijstelling vervalt als de winst in een jaar door een incidentele oorzaak boven het jaarplafond van € 15.000 uitkomt, maar de totale winst over vijf jaren € 75.000 niet overschrijdt.
pro rata temporisbenadering van de Staatssecretaris in diens beleidsbesluit van 19 september 2018 stroken daarmee mijns inziens geen van beide. Een incidentele overschrijding in jaar 1, 2 of 3 kan in die benadering immers niet, nauwelijks of moeilijk geabsorbeerd worden, waardoor een vereniging of stichting die volledig beantwoordt aan hetgeen de wetgever voor ogen stond, bijvoorbeeld een stichting met € 10.000 winst in jaar 1, € 21.000 in jaar 2 en € 5.000 in de jaren 2 t/m 5, toch in jaar 2 geconfronteerd wordt met hetgeen de wetgever wilde voorkomen, nl. de financiële en administratieve lasten van aangifte- en belastingplicht.
Ofeen overschrijding van € 15.000 jaarwinst in jaar 1 of jaar 2 incidenteel is, valt immers in dat jaar nog niet vast te stellen en in jaar 3 wellicht evenmin; juist daarom heeft de wetgever vijf jaren genomen. Variërend op het voorbeeld van Hemels in 6.9 hierboven: niet valt in te zien dat de wetgever een vereniging in haar eerste en derde ondernemingsjaar niet subjectief zou willen vrijstellen als zij in dat eerste (ondernemings)jaar € 18.000 winst maakt, in jaar 2 een klein verlies lijdt (dat door art. 6(1) op nihil wordt gesteld), in jaar 3 € 28.000 winst maakt en in de jaren 4 en 5 quitte speelt. Hetzelfde geldt voor een stichting die in haar eerste jaar als onderneemster € 16.000 winst maakt en de vier volgende jaren winsten tussen de € 1.000 en de € 10.000.
historischejaren 2008 t/m 2012 niet boven de € 75.000 uitkwam en daarna zowel in 2013 als in 2014 het jaarplafond ad € 15.000 niet overschrijdt. Gegeven de woorden ‘dan wel’ in art. 6(1) Wet Vpb gaat het immers om alternatieve plafonds: niet-overschrijding van één ervan is voldoende voor vrijstelling. Dit (eventuele) standpunt van de belanghebbende staat echter haaks op de wens van de wetgever om het
level playing fieldte respecteren, dat hij verstoord achtte bij overschrijding van € 75.000 binnen vijf
ondernemingsjaren. De concurrentie kan uiteraard alleen verstoord worden als er concurrentie is, dus als er een onderneming wordt gedreven. Ook de wens om ‘cultureel ondernemerschap’ aan te moedigen vooronderstelt dat een onderneming wordt gedreven. Mijns inziens tellen daarom alleen ondernemingsjaren mee voor de vijfjaarsreferentieperiode. Op grond van zowel de wettekst (‘het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen’) als doel en strekking van de regeling meen ik daarom dat belanghebbendes winstontwikkeling vijf ondernemingsjaren lang gevolgd moet worden. Dat impliceert dat het tweede winstplafond bij lichamen die nog geen vijf jaar ondernemen mede prospectief moet worden toegepast, dus dat hun winstontwikkeling gevolgd moet worden totdat vijf ondernemingsjaren zijn volgemaakt, dan wel tot het eerdere moment waarop € 75.000 winst cumulatief wordt overschreden.
voor zoverhaar winst binnen vijf ondernemingsjaren € 75.000 overschrijdt, strookt dat mijns inziens evenmin met doel en strekking van de regeling en trouwens ook niet met de wettekst omdat ‘dan wel’ betekent dat het om alternatieve plafonds gaat en omdat in die benadering de referentieperiode wordt bekort tot minder dan vijf jaar. Immers: behaalt zij in 2013 een jaarwinst ad € 14.000, dan zou zij, hoewel haar cumulatieve winst na
vierondernemingsjaren al € 83.731 bedraagt en zij dus zowel binnen vijf jaar het tweede plafond overschrijdt als in 2011 en 2012 het eerste plafond overschrijdt, in 2013 slechts over € 8.731 (83.731 minus 75.000) belast worden en in zowel 2011 als 2012 vrijgesteld zijn hoewel haar winsten in die jaren ver uitgaan boven het eerste plafond (€ 15.000 jaarwinst). Dat lijkt mij niet de bedoeling: als plafond 2 wordt overschreden, wordt het irrelevant en geldt alleen plafond 1. Behaalt de belanghebbende in 2013 € 14.000 winst - waarmee zij op € 83.731 cumulatief komt in vier jaar - dan is zij mijns inziens ingevolge plafond 1 alsnog belasting verschuldigd over zowel de volle 2011-winst ad € 28.433 als de volle 2012-winst ad 31.414. Het is immers alles of niets en niet ‘voor zover’. In 2013 zou zij daarentegen dan juist vrijgesteld omdat zij in dat jaar beneden plafond 1 blijft. Ook in 2014 is zij dan vrijgesteld als zij in dat jaar de € 15.000 winst niet overschrijdt.
BNB2013/247, (iii) dat zowel het jaarwinstplafond als het vijfjaarswinstplafond alles-of-niets-bepalingen zijn, en (iv) dat de wetgever geen aanwijzing heeft gegeven wat te doen als nog geen vijf ondernemingsjaren voorhanden zijn, meen ik dat de volgende wetsuitleg het beste aansluit bij doel en strekking van de vrijstelling en van het tweede winstplafond als nog geen vijf ondernemingsjaren beschikbaar zijn: dat tweede plafond leidt in zulke gevallen tot subjectieve vrijstelling als de cumulatieve winst over de eerste vijf ondernemingsjaren de € 75.000 niet overschrijdt. Zijn er nog geen vijf ondernemingsjaren, dan geldt de vrijstelling zolang in totaal € 75.000 winst niet wordt overschreden,
mitsvijf ondernemingsjaren worden volgemaakt. Voor de toepassing van het tweede plafond bij verenigingen en stichtingen die een onderneming beginnen, moet de winstontwikkeling gevolgd worden totdat vijf ondernemingsjaren zijn volgemaakt of tot het eerdere moment waarop het tweede plafond wordt overschreden. Komt de cumulatieve winst binnen de eerste vijf ondernemingsjaren boven € 75.000, dan wordt alsnog geheven, zo nodig door navordering (want overschrijding is een nieuw feit in de zin van art. 16 AWR Pro, werpt althans eerder niet-bestaand en navordering rechtvaardigend nieuw licht op – in casu – 2011 en 2012 [40] ), en wel over de
gehelewinst (’t is alles of niets) in de jaren binnen die vijfjaarsperiode waarin de winst boven € 15.000 uitkwam.
BNB2013/247.
Alsu dat doet, lijkt het mij wenselijk dat u aanwijzingen geeft zoals opgenomen in 8.13 t/m 8.16 voor de wetstoepassing in de jaren 2013 en 2014. Daartoe zou dienstig kunnen zijn dat de partijen zich bij Borgersbrief eendrachtig uitlaten over belanghebbendes resultaten in die jaren, zodat de partijen er voor die jaren zonder rechterlijke assistentie uit kunnen komen en de praktijk in het algemeen voldoende voorgelicht wordt om zonder procederen uit minder-dan-drie-ondernemingsjaren-gevallen te komen.