ECLI:NL:RBDHA:2020:2288
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing duurzaam verblijfsrecht EU-familielid na onduidelijke toetsing economische activiteit
Eiser, partner van een Nederlandse staatsburger, vroeg om een document dat duurzaam verblijfsrecht als familielid van een EU-burger bevestigt. Verweerder wees dit af omdat de referent niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf had als economisch actieve volgens de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder onduidelijk was over de norm die hij hanteerde voor het beoordelen van het werknemerschap van de referent, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De rechtbank overwoog dat artikel 21 VWEU Pro en de Verblijfsrichtlijn analoog van toepassing zijn op de situatie waarin een EU-burger en zijn familielid na verblijf in een andere lidstaat terugkeren naar de lidstaat van nationaliteit. Voor duurzaam verblijfsrecht is vijf jaar rechtmatig verblijf vereist, waarbij rechtmatig verblijf inhoudt dat de referent economisch actief is of als economisch niet-actief voldoende middelen heeft.
Verweerder had niet duidelijk gemaakt of de referent voldeed aan de norm van 50% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden of ongehuwd samenwonenden, waardoor niet duidelijk was of zij als werknemer aangemerkt kon worden. Dit gebrek aan motivering leidde tot vernietiging van het besluit. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank veroordeelde verweerder tevens in de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onduidelijke toetsing van het werknemerschap en verweerder moet een nieuw besluit nemen.