Uitspraak
Datum uitspraak: 25 juli 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Voorzitter griffier
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep van Bulgaarse vreemdelingen tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat zij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdanen in Nederland hadden en daardoor geen duurzaam verblijfsrecht konden verkrijgen. De vreemdelingen ontvingen een uitkering en voerden aan dat zij als zelfstandigen werkzaam waren geweest en over voldoende middelen van bestaan beschikten.
De rechtbank had het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard, stellende dat zij onvoldoende bewijs hadden geleverd van reële arbeid of voldoende middelen van bestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de zelfstandige arbeid van de man en onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de vreemdelingen geen beroep deden op het socialebijstandsstelsel, wat een relevant onderdeel is van de beoordeling van voldoende middelen.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, wijst het hoger beroep toe en gelast een nieuw besluit waarbij de vreemdelingen de gelegenheid krijgen hun middelen van bestaan nader te onderbouwen. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en de staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.