ECLI:NL:RBDHA:2020:2310
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking en weigering verlenging verblijfsvergunning tijdelijke en niet-tijdelijke humanitaire gronden
Eiser, een Liberiaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning onder de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden' gekregen na aangifte van mensenhandel. Deze vergunning werd met terugwerkende kracht ingetrokken per 17 juli 2017, omdat het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek had geseponeerd en overgedragen aan Belgische autoriteiten. Tevens werd de aanvraag tot verlenging van de vergunning en wijziging naar een verblijfsvergunning onder de beperking 'niet-tijdelijke humanitaire gronden' afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat de vergunning afhankelijk was van een lopend strafrechtelijk onderzoek, dat niet meer bestond. Daarnaast voldeed eiser niet aan de paspoortvereiste en had hij niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in het bezit kon komen van een geldig document voor grensoverschrijding. De rechtbank vond ook geen klemmende humanitaire redenen die een verblijfsvergunning zouden rechtvaardigen.
Eiser voerde aan slachtoffer te zijn van mensenhandel en vreest represailles bij terugkeer, maar dit werd niet aannemelijk geacht. Ook zijn integratie in Nederland en de situatie in Liberia boden onvoldoende grond voor een verblijfsvergunning. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank op het beroep had beslist. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en afwijzing van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.