ECLI:NL:RBDHA:2020:2431
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering behandeling verblijfsvergunning asiel
Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening, welke eerder door de rechtbank werd afgewezen. Vervolgens diende verzoeker verzet in tegen deze uitspraak en verzocht opnieuw om een voorlopige voorziening om uitstel van uitzetting naar Frankrijk te verkrijgen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzet en de kans van slagen daarvan. Verzoeker betwistte dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is, onder meer omdat hij tussen mei 2018 en november 2019 buiten de EU zou hebben verbleven. De rechtbank had dit betoog reeds als onvoldoende onderbouwd beoordeeld en verwees naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat het aan verzoeker is om het verlaten van het EU-grondgebied aan te tonen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzet geen kans van slagen heeft en dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom moet worden afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit om de asielaanvraag niet te behandelen is afgewezen.