ECLI:NL:RBDHA:2020:2620
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie
Eiser, een Eritrese nationaliteit bezittende persoon, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn gestelde tante en pleegmoeder, de referente. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de identiteit van eiser en zijn biologische ouders, alsmede het ontbreken van bewijs dat zijn biologische moeder is overleden.
De rechtbank behandelde het beroep tegen deze afwijzing. Eiser kon geen officiële documenten overleggen die zijn identiteit en familierechtelijke relatie met de referente aannemelijk maakten. De doopakte en andere indicatieve stukken waren onvoldoende betrouwbaar, mede door een rapport van Bureau Documenten dat de doopakte niet kon beoordelen wegens gebrek aan vergelijkingsmateriaal en ontbrekende pasfoto.
De rechtbank oordeelde dat de gestelde gezinsband tussen eiser en referente niet kon worden vastgesteld en dat de mvv-aanvraag terecht was afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding om het beroep aan te houden vanwege de niet-gelijktijdige beslissing op de aanvraag van de dochter van de referente. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie.