ECLI:NL:RVS:2019:25
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling feitelijke gezinsband bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf voor pleegkinderen
De staatssecretaris heeft op 12 januari 2017 een aanvraag van twee Eritrese vreemdelingen voor een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdelingen, minderjarig en pleegkinderen van een referent met een verblijfsvergunning, stelden dat hun biologische ouders niet meer voor hen konden zorgen en dat zij feitelijk tot het gezin van de referent behoorden.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris, stellende dat het toetsingskader onjuist was toegepast en dat onofficiële documenten niet waren betrokken in de beoordeling. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de staatssecretaris de aanvraag deugdelijk heeft gemotiveerd en dat de vreemdelingen onvoldoende hebben gestaafd wie hun biologische ouders zijn, dat deze niet meer voor hen kunnen zorgen, en dat de referent hun pleegouder is. De door de vreemdelingen overgelegde documenten bevatten onvoldoende objectieve informatie over de afstammingsrelatie en de zorgsituatie.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De staatssecretaris heeft terecht en zorgvuldig gehandeld binnen het toepasselijke wettelijke kader, waaronder artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.